dinsdag 19 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 10 - Aan de belijders in de gevangenis in Carthago

Deze tiende brief van Cyprianus is gericht aan de belijders in de gevangenis in Carthago

Cyprianus prijst de belijders gelukkig wegens hun geloof en hun kracht. Hij zegt dat namens ‘onze Moeder de Kerk’. Het is nog maar kortgeleden dat een aantal gelovigen die vastbesloten was in hun belijdenis in ballingschap gingen om hun straf te ontlopen. Maar een belijder zijn is, nu Cyprianus dit schrijft, moeilijker geworden - ‘het vereist meer moed’, maar het geeft ook meer eer. ‘De strijd is toegenomen, en daarmee de heerlijkheid voor de strijders.’ Er is sprake van martelingen.(1.1)

Sommigen van jullie in de gevangenis hebben hun kroon reeds ontvangen. Cyprianus moedigt de andere in de gevangenis aan om het geloof standvastig vast te houden. (1.2)

Er is sprake van ‘de hardste ondervragingen’, ‘martelingen, ‘kwellingen’, ‘hardste slachtpartij’. Maar dit bracht de mannen van God des te sneller bij hun Heer. (2.1)

Cyprianus spreekt vol lof over de wonderlijke manier waarop de christenen ondanks de vreselijke martelingen standhielden, waarmee ze de daders overwonnen. (2.2) Christus, de Geest en de Vader zijn in hun midden als ze de tot aan de overwinning strijden voor hem. (2.3; 3)

Cyprianus beschrijft vervolgens de ene martelaar Mappalicus die de proconsul toeriep, ‘de strijd zal je morgen zien’. Dat gebeurde inderdaad; de dag daarop kreeg hij zijn kroon. (4.1) ‘Dit is de strijd van ons geloof, waarin we strijden, waarin we verwinnen, waarin we gekroond worden.’ (4.2)

De apostel Paulus streed deze strijd. Het was voorspeld door de profeten, getoond door de Heer, uitgevoerd door de apostelen. Mappalicus zegde de strijd aan de proconsul aan. (4.3)

Cyprianus moedigt de overigen in de gevangenis aan om Mappalicus en de anderen die met hem martelaar werden, te volgen in geloof en geduld. Hij roept ze op om door hun standvastigheid de vastberadenheid van de andere gelovigen te versterken. ‘Als het gevechtsfront u roept, als de dag van uw conflict komt, strijd het gevecht dapper, voer de oorlog resoluut.’ Cyprianus onderstreept opnieuw hoe nauw de Heer zelf betrokken is bij het geloofsgevecht voor hen die in de gevangenis zitten. (4.4)

De gevangenen moeten niet teleurgesteld zijn als er weer vrede komt, voordat van hen de eindstrijd verwacht wordt. God kent hun hart en op grond daarvan bepaalt hij wie de kroon krijgt. (5.1)

De Kerk is gezegend, eerst door het witte kleed van de goede daden van de heiligen, en nu ook door het rode gewaad van de martelaren. Laat een ieder streven naar het verkrijgen van de kroon. (5.2)

Opmerkingen: 
  • Deze brief dateert van kort na 17-19 April 250, toen Mappalicus werd gedood. Die datum is al vroeg in de kalender der martelaren gezet. 
  • Mappalicus en zijn metgezellen zijn de eerste martelaren in Carthago. In een latere brief (22) zien we Mappalicus als tweede in een lijst van 17 slachtoffers. Ze waren overigens niet ter dood veroordeeld maar stierven als gevolg van de gevangenis en marteling. 
  • De militaire taal is opvallend - een getuigenis van de strijdvaardigheid van de kerk. 
  • Deze brief is gevonden in een donatistische verzameling van brieven van Cyprianus. 
  • De eerst golf van verdrukking vanaf januari 250 deed de Romeinen de gelovigen in ballingschap sturen; nu gingen ze de gevangenis is en wachtte martelaarschap (april 250). 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

zaterdag 16 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 9 - Cyprianus aan priesters en diakenen in Rome

Deze negende brief van Cyprianus is gericht aan de priesters en diakenen in Rome.

Cyprianus wist niet wat met zijn Romeinse collega was gebeurd maar heeft dankzij een brief van de priesters en diakenen van Rome, verstuurd via de subdiaken Crementius, het verslag van zijn martelaarschap gekregen. (1.1)

Cyprianus feliciteert de kerk in Rome met het geweldige voorbeeld van hun bisschop, en zegt dat diens onwankelbaar geloof en deugd een voorbeeld is. (1.2)

Cyprianus kreeg tegelijk een brief onder ogen die schijnbaar uit Rome was verzonden via Crementius, maar hij is daar niet zeker van; hij stelt vragen bij het handschrift, de inhoud en het feitelijke papier. Hij stuurt die brief dus naar Rome terug ter controle. Cyprianus vermoedt dat met de originele versie gerommeld is; hem is niet duidelijk wie de afzenders en wie de geadresseerden zijn. (2.1)

‘Het is een uiterst zware zaak als de waarheid van een kerkelijke brief is gecorrumpeerd door valsheid of fraude. […] Onderzoek dus het handschrift en de slotconclusies om te zien of dit van jullie afkomstig is en schrijf ons terug wat de waarheid in deze zaak is.’ (2.2)

Opmerkingen: 
  • Cyprianus heeft een verslag gekregen van de dood van bisschop Fabianus, en een brief die hij niet thuis kan brengen. Gaat dit om brief 8? Was hij niet blij met de inhoud die nogal wat kritiek op zijn vlucht inhield? Kon hij niet geloven dat Rome dat zou schrijven? Geeft hij ze een kans daar afstand van te nemen? In ieder geval lijkt deze brief 9 geen vriendschappelijke brief, maar eerder onverholen kritiek op hoe Rome Cyprianus bejegende. 
  • Fabianus werd in januari 250 gedood. Hoorde Cyprianus pas 6 maanden later over de toedracht? Dat bewijst dan wel hoe de verdrukking de normale communicatie tussen de kerken bemoeilijkte. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

vrijdag 15 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 8 - Kerk in Rome aan de kerkleiders in Carthago

Deze achtste brief is een vreemde eend in de bijt; het is een brief van de kerk in Rome gericht aan de kerkleiders in Carthago.

De kerk in Rome heeft van subdiaken Crementius gehoord over de situatie in Carthago en stuurt daarom - waarschijnlijk via deze zelfde Crementius - een brief.

Ze hebben in Rome van Crementius gehoord ‘dat de gezegende papa’ (paus) Cyprianus zich verscholen houdt en ‘het wordt volgehouden dat hij daar zeker goed aan heeft gedaan om de speciale reden dat hij een prominente persoon is.’ (1.1)

‘Maar feit is dat de strijd nu nabij is die God heeft toegelaten…’ God wil dat door deze strijd engelen en mensen zien dat de overwinnaar zijn kroon ontvangt, en dat degene die verliezer is, de straf krijgt.’ (1.1)

‘Wij zijn nu duidelijk de kerkleiders en het is onze taak om over de kudde te waken […] in de plaats van onze herders.’ De brief waarschuwt ervoor om die taak niet te veronachtzamen. (1.1)

De brief haalt vervolgens een aantal bijbelverzen aan over Jezus als Goede Herder die zijn leven inzet voor zijn schapen, en dat hij Petrus aanstelde als herder. Dat hij en de andere apostelen goede herders waren blijkt uit de manier waarop ze om het leven kwamen. (1.2)

Dus is de vraag aan de lezers, om geen huurlingen maar goede herders te zijn. De gemeenteleden lopen groot gevaar om aan afgoderij te gaan doen als ze van de leiders van de kerk niet worden aangemoedigd standvastig in het geloof te zijn. (2.1)

Er komen veel reizigers uit Rome naar Carthago, waardoor de kerkleiders daar kunnen weten dat Rome dit niet slechts zegt, maar ook zelf doet in het zicht van wereldlijke gevaren. ‘We houden de vrees voor God voor ogen en eeuwige straffen, in plaats van vrees voor mensen en kortstondig lijden. We verlaten onze broeders niet maar we moedigen ze aan om standvastig te zijn in het geloof en, wat onze taak is, om bereid te zijn met de Heer te wandelen.’ (2.2)

Sommige gelovigen in Rome waren al onderweg om de verplichte rituelen uit te voeren, en de kerkleiders konden ze daarvan weerhouden.

De kerk in Rome staat sterk, hoewel sommigen zijn gevallen uit vrees voor de terreur - zowel prominente personen als mensen die bang waren voor andere mensen.

Wie zijn gevallen (Latijn: lapsi) zijn ‘gescheiden van ons’ maar we proberen ze te overtuigen om penitentie te doen, ‘in de hoop dat ze op de een of andere manier in staat zijn vergeving te winnen van Hme die dat kan geven.’ Als we ze aan hun lot zouden overlaten, vrezen we, zouden ze nog zondiger kunnen worden. (2.3)

Dus roept de kerk in Rome de leiders van de gemeente in Carthago op om op soortgelijke manier de gevallenen te bemoedigen, hun harten te hervormen zodat als ze een tweede keer gearresteerd worden, ze ‘belijders’ zullen zijn en daarmee hun eerste vergissing goedmaken. (3.1)
  1. Wie ziek zijn van degenen die gevallen zijn maar die nu bezig zijn met penitentie en die verlangen naar communie moet je ‘troost’ brengen. (3.1)
  2. Jullie moeten ook zorgen voor de weduwen en anderen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, en ook voor wie in de gevangenis zitten of wie uit hun huizen verdreven zijn. (3.1)
  3. Wie catechese doen en ziek worden moet je niet hun hoop ontnemen, maar ze troost brengen. (3.1)
  4. Wie de lichamen van martelaren verzamelt om te begraven - een heel gevaarlijks taak - kan verzekerd zijn dat hij een goede dienaar van God is die een groot loon wacht. (3.2)
De broeders in ketenen sturen u groeten, evenals de priesters en de hele kerk. (3.3)

Voor jullie informatie, Bassianus is gearriveerd.

Stuur zoveel mogelijk kopieen van deze brief rond, of schrijf zelf brieven, of stuur een bode, zodat ze moedig standhouden. (3.4)

Opmerkingen:
  • Cyprianus houdt zich verscholen buiten Carthago; in Rome zitten gelovigen in de gevangenis en de situatie daar is penibel. 
  • De brief lijkt nauwelijks onder de oppervlakte heel kritisch over Cyprianus die bij zijn kudde is weggevlucht. In andere brieven doet Cyprianus zijn best te laten zien dat hij het beste met de kerk op het oog had en niks anders; toch was een deel van zijn priesters en diakenen kritisch. 
  • Opvallend is verwijzingen naar de marteldood van Petrus door deze kerk in Rome. 
  • Bisschop Fabianus van Rome was in januari 250 gedood. Pas in maart 251 zou een opvolger worden gekozen. 
  • Let op de pastorale bezorgdheid over de lapsi - de brief ademt een geest van verzoening 
  • Wat betreft de datering, we zien dat de verdrukking in een gevorderd stadium is. Er wordt geofferd, er zijn gevangenen, er is kans op een tweede arrestatie, er zijn doden en het begraven van de doden is een gevaarlijke klus. 
  • GW Clarke dateert de ontvangst van deze brief rond end juni-begin juli 250AD. 
  • Dit is eerste keer dat een subdiaken wordt genoemd - een assistent van een diaken. Werden blijkbaar als postbodes gebruikt. 
  • Onduidelijk is of Crementius een subdiaken uit Rome of uit Carthago is. 
  • Interessant dat Rome voor de bisschop van Carthago de term ‘papa’ (paus) gebruikt. Pas in de 11de eeuw kreeg dit woord in Rome de technische betekenis die het nu nog voor Rome heeft.
  • Wie is Bassianus?  Misschien ontdekken we dat later. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

dinsdag 5 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 7 - Zorg voor weduwen, zieken, armen, vreemdelingen

Deze zevende brief van Cyprianus is gericht aan de priesters en diakenen in Carthago.

Cyprianus mist de priesters en diakenen maar kan niet naar de stad terugkeren uit vrees dat dit de vrede van de gelovigen in gevaar brengt. ‘Wat ik vrees is dat mijn aanwezigheid een uitbraak van geweld en weerzin onder de heidenen kan veroorzaken’.(1)

Alleen als priesters en diakenen hem schrijven dat de rust is teruggekeerd, zal hij terugkomen, of als de Heer hem zelf een teken geeft. (1)

Cyprianus bindt de priesters en diakenen op het hart om nauwkeurig te zorgen voor weduwen, zieken en armen en om financieel zorg te dragen voor vreemdelingen die dat nodig hebben. Daarvoor moeten ze de persoonlijke fondsen gebruiken die Cyprianus bij priester Rogatianus heeft achtergelaten. Via de acoliet Naricus stuurt Cyprianus meer geld naar Rogatianus om te zorgen dat het charitatieve werk onder de behoeftigen kan doorgaan. (2)

Opmerkingen: 
  • Cyprianus houdt zich verscholen buiten Carthago en schrijft aan priesters en diakenen die in Carthago voortgaan met hun werk. 
  • Deze brief zal ongeveer tegelijk met brief 4-6 geschreven zijn, in de verdrukking onder Decius. Cyprianus hoopt nog spoedig te kunnen terugkeren en er is nog vrede onder de christenen. E is ook nog geen sprake van gevangen christenen. Rogatianus de priester is nog op vrije voeten. Als brief 5 en 6 rond April 250 zijn geschreven moet deze nog eerder zijn geschreven. 
  • Het lijkt of Cyprianus gelooft dat de storm nog steeds kan overwaaien. 
  • Cyprianus onderstreept dat het zijn persoonlijke geld is dat hij aan Rogatianus had gegeven voor onderhoud van armen, geen kerkgeld. Zorg voor armen etc werd als taak van de bisschop gezien, en als een bisschop welgesteld was, dan was het gebruik van zijn eigen geld een normale ‘Romeinse’ zaak. 
  • Dit is de eerste keer in de kerk dat we de formele titel acoliet tegenkomen. Een helper van de priester? 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

zondag 3 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 6 - Houdt vol in de gevangenis

Deze zesde brief van Cyprianus is gericht aan Sergius, Rogatianus ‘en de andere belijders’ in de gevangenis.

Cyprianus zou erg graag de geadresseerden zien; hij bewondert ze omdat ze hun geloof hebben beleden zonder zich te compromitteren. (1.1) Daarom zitten ze in de gevangenis. Cyprianus moedigt ze aan om vol te houden met het oog op de kroon die hen wacht. ‘Gezegend is de gevangenis die mensen naar de hemel zendt.’ (1.2)

Cyprianus adviseert de gevangenen om niet teveel aan het lijden dat hen wacht te denken, maar aan de heerlijkheid die daarop volgt - zoals dat ze zullen oordelen en heersen met Christus de Heer. Hij laat zien dat dit de ware navolging van Christus is, aan de hand van veel bijbelgedeelten. (2.1)

Er zijn ook christelijke vrouwen in de gevangenis; Cyprianus spreekt ze apart aan; niet alleen zullen ze hun kroon van de Heer ontvangen maar tevens zijn ze een voorbeeld voor alle vrouwen door hun geloof vast te houden. (3.1)

Er zijn ook jonge knapen bij het gevangen gezelschap; ook hun wordt, aan de hand van bijbelverzen, gezegd dat ze moeten denken aan de heerlijkheid van hun eeuwige veiligheid. (3.1)

‘Dit is het geloof dat we moeten bewaren en overdenken nacht en dag, met onze harten toebereid voor God, met minachting voor de tijdelijke dingen en met onze gedachten geheel op de toekomst gericht - de verrukkingen van het eeuwig koninkrijk, de omhelzing en de kus van de Heer, het zien van God.’ (4)

Cyprianus roept degenen in de gevangenis op om te volgen in de voetsporen van de oude moedige en vrome priester Rogatianus. In het gezelschap van ‘onze broeder’ Felicissimus, leed hij onder de eerste woeste aanvallen door het volk; hij bereidde een plaats in de gevangenis, en gaat de huidige mensen in de gevangenis voor als wegbereider.

Cyprianus eindigt met de lezers zijn beste wensen te geven; hij bidt voor ze en wenst dat ze zullen worden gekroond als martelaren. (4)

Opmerkingen: 

  • Cyprianus houdt zich verscholen buiten Carthago en schrijft aan de mensen in de gevangenis in Carthago. 
  • Deze brief zal ongeveer tegelijk met brief 5 geschreven zijn, in de verdrukking onder Decius, kort voor april 250AD. In het midden van die maand werden de eerste martelingen voor belijders uitgevoerd, maar de gevangenen die worden genoemd in brief 5 en 6 lijken daar nog niet onder te leiden. 
  • Cyprianus spreekt over verdrukking en de kroon op een manier die we ook al zagen bij Ignatius en andere vroeger schrijvers. 
  • De Rogatianus die in de aanhef wordt genoemd is wellicht dezelfde als priester Rogatianus die later in de brief voorkomt. Dan was Sergius waarschijnlijk ook een priester. Maar ik weet niet zeker of de Rogatianus in de aanhef dezelfde is. Waarom wordt de tweede keer dat Rogatianus wordt genoemd, uitdrukkelijk gezegd dat het die tweede keer om een priester gaat? 
  • Het lijkt me dat niet vol te houden is dat als Cyprianus spreekt over ‘onze broeders’, dat hij dan altijd bisschoppen aanspreekt. Waarom zou hij dan Felicissimus noemen nadat hij het eerst over een priester heeft gehad? Als de Rogatianus van de aanhef wel de priester is die later in de brief wordt genoemd, is wel aangetoond dat de aanspreektitel ‘broeder’ voor Cyprianus niet alleen voor bisschoppen wordt gebruikt. Dit kan ook uit Brief 5 worden opgemaakt. 
  • Waren deze Rogatianus en Felicissimus de eersten die werden opgepakt? Zijn ze een voorbeeld als eerste martelaren? Of zijn ze een concreet voorbeeld met de anderen in de gevangenis?  Dit laatste lijkt het geval.
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

vrijdag 1 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 5 - Aan priesters en diakenen in Carthago

Deze vijfde brief van Cyprianus is gericht aan zijn priesters en diakenen in Carthago.

Probleem is dat in Carthago de situatie gespannen is ten gevolge van eerdere vervolging Cyprianus kan daar daarom niet zijn, maar geeft van afstand advies aan zijn priesters en diakenen.

Cyprianus is ‘veilig’, maar kan niet in Carthago zijn en moet zijn werk dus uitvoeren via zijn priesters en diakenen. Hij wil dat ‘discipline en ijver’ worden gehandhaafd. (1.1)

Wat moesten de priesters en diakenen doen?

1. Materieel zorgen voor de degenen die hun Heer hebben beleden en die nu in gevangenis zitten.
2. Ook zo zorgen voor wie trouw zijn (maar niet in gevang) en die noden hebben.
Er zijn fondsen geworven en aan de geestelijkheid (Latijn: clerici) in Carthago gegeven, precies om dit soort noodsituaties het hoofd te bieden. (1.2)
3. De priesters en diakenen moesten ook zorgen dat ze de ‘algemene vrede’ bewaarden. Dat betekent ongetwijfeld, dat ze aan de autoriteiten geen aanleiding geven om nieuwe vervolgingen in te zetten.

Cyprianus zegt dat de gelovigen graag liefdevol in de gevangenis de ‘belijders’ opzoeken, maar dat moet wel wijs gebeuren. Die wijsheid is als volgt:
  • bezoek belijders in gevangenis niet met grote aantallen want dat kan kwade gevoelens scheppen en zorgen dat er helemaal geen toegang tot de gevangenen meer is. 
  • de priesters die het offer vieren (eucharistie) bij de belijders (in de gevangenis) moeten om beurten gaan, en steeds alleen, en alleen vergezeld van steeds andere diakenen. Dit om geen reacties op te roepen. 
  • in alle gevallen moet zachtmoedig en nederig worden gehandeld, de omstandigheden moeten in acht genomen, de algemeen vrede en het welzijn van ‘onze mensen’ moet bewaard. (2.1)
Cyprianus sluit de korte brief met groeten van hemzelf en ‘mijn diaken’, en ‘van allen die bij me zijn’.(2.1)

Opmerkingen: 
  • Cyprianus houdt zich verscholen buiten Carthago.
  • De brief moet vroeg in de verdrukking onder Decius worden geplaatst. Er zijn al mensen in de gevangenis, Cyprianus is al gevlucht. Tegelijk is het nog mogelijk de gelovigen te bezoeken in de gevangenis, en daar zelfs de eucharistie te vieren. De situatie lijkt echter explosief.
  • De financiën van de kerk waren aan de geestelijkheid gegeven - was dit omdat de Romeinen er beslag op wilden leggen?
  • De bisschop had alle zeggenschap over het geld van de kerk.
  • Het is normaal dat een priester; geholpen door een diaken, de eucharistie viert. Dat kan desnoods in de gevangenis. Is dit omdat de bisschop afwezig is? Het lijkt eerder dat dit al normaal is.
  • ‘Mijn diaken’ in de groet is waarschijnlijk Victor, die ook in brief 6 en 13 genoemd.
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.


donderdag 31 juli 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 4 - Maagden die met mannen slapen


Deze vierde brief van Cyprianus, samen met de bisschoppen Caecilius, Victor, Sedatus en Tertullus en met een aantal priesters, is gericht aan bisschop Pomponius.

Probleem in de brief, is dat een aantal ‘maagden’ het bed heeft gedeeld met een aantal gemeenteleden, waaronder een diaken. Pomponius vraagt in een brief die hij via bisschop Paconius naar Cyprianus heeft gestuurd, wat hij moet doen. (1.1)

Deze maagden waren meisjes die ‘eenmaal een sterk besluit hadden genomen om hun kuise staat te bewaren met onwankelbare standvastigheid’. Ze gaven toe dat ze mannen in hun bed hadden gehad, maar ze hielden vol dat ze hun maagdelijkheid hadden bewaard.(1.1)

Cyprianus overtuiging is dat hij de voorschriften van de evangelisten en apostelen moedig en krachtig moet uitvoeren voor het welzijn van de kerk. Het gaat om ‘de discipline van de kerk’. Cyprianus citeert enkele bijbelverzen over de noodzaak van discipline. (1.2) Het gaat hem om ‘het leven van elke persoon’. (2.1)

Cyprianus geeft een paar voorschriften, zoals dat maagden niet eens in hetzelfde huis moeten wonen als mannen. Ze zijn immers niet alleen ‘zwak wegens hun geslacht’ maar ze zijn ook ‘nog op een kwetsbare leeftijd’. De maagden moeten dus ‘compleet door onze aanwijzigingen en controle worden geleid.’ De duivel is maar al te graag bereid om ze kwaad te doen.(2.1)

Cyprianus legt vervolgens uit dat als dienstknechten van God te lang in de gevarenzone van de duivel en verleidingen zijn, ze zich niet meer kunnen losmaken. Snel optreden is dus geboden. Cyprianus maakt een interessante pastorale opmerking in deze context: ‘Zodra ze verenigd zijn in een gezamenlijk schuldgevoel’ zal het moeilijk zijn ze uit elkaar te halen. Hij bedoelt ongetwijfeld, de meisjes en de mannen waar ze te hecht mee waren. (2.2)

Cyprianus zegt dat de meisjes die niet kunnen wachten op het loon van hun maagdelijkheid, beter kunnen trouwen, ‘in plaats van in het vuur te vallen door hun zonden.’ Ze moeten bovendien in overweging nemen dat ze voor hun broeders en zusters geen schandaal mogen veroorzaken. (2.3)

En het feit dat de maagden ondanks alles hun lichamelijke maagdelijkheid hebben bewaard betekent voor Cyprianus niet veel. Samen in bed liggen, elkaar omhelzen, samen praten, kussen, is erg genoeg. (3.1) Bovendien, hoe kan je zeker zijn dat ze nog maagd zijn? De meisjes hadden blijkbaar gesuggereerd dat vroedvrouwen het konden testen, maar ‘de hand en het oog van de vroedvrouw kan zich vaak vergissen’.(3.1)

Als een echtgenoot zijn vrouw met een ander in bed aantreft, is hij dan niet zo ziedend dat hij misschien het zwaard wel trekt? ‘Christus is onze Heer en onze Rechter: als Hij ziet dat zijn eigen maagd die Hem haar geloften heeft gedaan en die zich geheel aan Hem heeft overgeleverd, met een andere man ligt, stel je dan Zijn woede en boosheid voor en de straffen waarmee Hij dreigt wegens zulke onkuise bijeenkomsten.’ (3.2)

Kerkleiders moeten bovenal het voorbeeld geven door hun levensstijl. ‘Hoe kunnen ze opzichters zijn van de onschuld en kuisheid als ze zelf de bron en oorsprong zijn van corruptie en onderwijs in de ondeugd?’ (3.3)

Pomponius heeft er dus goed aan gedaan de diaken te excommuniceren, net als de andere mannen die er een gewoonte van maakten met de meisjes te slapen, zegt Cyprianus.(4.1)

Wat betreft de maagden, als die serieus penitentie hebben gedaan en zijn gestopt met hun relaties, moeten ze eerst lichamelijk worden onderzocht door de vroedvrouwen. Als ze nog maagd zijn moet de kerk ze ontvangen en kunnen ze aan de Communie meedoen. Ze moeten wel worden gewaarschuwd dat als het weer gebeurt, ze niet weer zo makkelijk in de kerk worden toegelaten. (4.1)

Wie toch geen maagd meer blijkt te zijn, moet volle penitentie doen. Alleen na langere tijd en na openbare schuldbelijdenis mag ze naar de kerk terugkeren. (4.1)

Als ze toch doorgaan met hun gedrag, kunnen we ze nooit meer in de kerk toelaten, aldus Cyprianus. Zijn vrees is dat ze met hun zonden ook anderen de weg naar de ondergang wijzen. (4.2)

De meisjes moeten niet denken dat er nog hoop is op leven en redding als ze hebben geweigerd hun bisschoppen en priesters te gehoorzamen. Cyprianus bewijst dit met een citaat uit het OT waarin wordt gezegd dat wie de priesters ongehoorzaam is, ter dood moet gebracht. (4.2) De toepassing daarvan in de kerk is dat mensen worden geëxcommuniceerd. (4.3)

‘Ze kunnen geen leven vinden buiten de kerk want er is slechts een huis van God en niemand kan redding vinden behalve in de kerk.(4.3)

Cyprianus roept Pomponius dus op om alle betrokken individueel te adviseren en te leiden, opdat ze niet verloren gaan. (5.1) Dat moet hij krachtig doen, want dat dient Christus en leidt wellicht tot het welzijn van de zondaars.(5.2)

Opmerkingen: 

  • In de vroege kerk lezen we wel vaker over jonge vrouwen die met hun maagdelijkheid de Heer dienden, ook voordat dit werd geformaliseerd in kloosters.
  • Dat vrouwen als het ‘zwakke geslacht’ werden gezien kom je wel vaker tegen in het Romeinse Rijk; het valt makkelijk te combineren met oog op de rol van Eva in het paradijs.
  • De pastorale benadering van Cyprianus is opvallend. De, naar het lijkt nog jonge meisjes werden veel lichter gestraft dan de betrokken mannen. Het ging Cyprianus om het eeuwig welzijn van de betrokkenen.
  • Uit de vroege kerk weten we niets van een formele en publieke wijding van maagden; misschien dat zoiets meer een private zaak was.
  • De excommunicatie van de diaken was waarschijnlijk door de bisschop alleen verricht; daarom zoekt hij advies of hij daar goed aan heeft gedaan?
  • De maagdelijkheidstest klinkt in moderne oren schandelijk, en met een overdreven nadruk op het fysieke aspect. Dat laatste geeft Cyprianus zelf ook aan, maar hij acht de test toch nodig. Dit overigens nadat, naar het lijkt, de meisjes hier zelf om hebben gevraagd.
  • De penitentie die de meisjes moesten doen bestond waarschijnlijk uit extra gebeden, aalmoezen geven, goede werken.

Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.