maandag 17 juni 2013

Rellen 30 juni. We zijn met voorbereidingen begonnen

Vandaag begin ik met voorbereidingen voor 30 juni, als Cairo naar verwachting weer explodeert van de rellen. En een groot deel daarvan ongeveer in onze achtertuin. Dus ben ik begonnen met het vormen van een team van artsen en verpleegkundigen om gewonden te kunnen behandelen in de tuin van onze kerk. Het wordt niet leuk hier dus jullie gebed wordt gewaardeerd, voor Egypte - dat de regering zal vertrekken zonder teveel bloedvergieten, voor ons als kerken dat we als christenen goede getuigen zijn van de liefde van Christus, en ook voor onze veiligheid. Via de website van onze kerk hier kan je bijhouden wat we doen. www.heliopolischurch.com



zaterdag 15 juni 2013

Iconen


Joseph Kardinaal Ratzinger schreef in The Spirit of the Liturgy (2000) een hoofdstuk over iconen waarin hij pleit voor een hernieuwde interesse in het gebruik van afbeeldingen in de kerk, en hij verdedigt met name de visie van de oosterse kerk op iconen.

Tot in de derde eeuw na Christus gebruikt de Joodse synagoge afbeeldingen. De manier waarop de kerk dat deed, was niet veel anders. [een voorbeeld hiervan heb ik op mijn facebook staan, zie HIER

Het idee van afbeeldingen in de vroege kerk was niet om een soort stripboek van het verleden te maken; het was om de gebeurtenissen van het verleden met het sacrament samen te brengen.

De vroegste afbeeldingen van Christus waren geen poging om ons een portret van hem te geven; Christus wordt op allegorische manier afgebeeld, bijvoorbeeld als de ware filosoof. Maar vooral als de Goede Herder. Jezus als Goede Herder was een manier om hem als de Logos aan te duiden, degene die alles schiep en die in zich de archetypen van alle dingen verenigt. In zijn vleeswording neemt hij de verloren schapen, de hele mensheid, op zijn schouders om het naar huis te dragen.

Iconen kregen al snel de waarde van het sacrament: ze bieden communion aan; de gelovigen gingen al snel de ‘ware aanwezigheid’ in de iconen ervaren. Die aanwezigheid is niet in de icoon zelf gelegen. De mens moet leren met ogen van geloof de icoon te gebruiken om de geestelijke werkelijkheid te zien. Daar slaagden velen niet in, waardoor in de zevende eeuw een periode van iconoclasme – vernietiging van iconen - plaatsvond.

Het gaat bij iconen niet om de gelaatsuitdrukkingen; waar het om gaat is een nieuwe manier van kijken. Iconen worden geschreven door het innerlijk te openen voor God en diens werkelijkheid, en zo moeten ze ook worden bezien. Iconen vereisen juist een ‘vasten van de ogen.’ De dynamiek van het icoon is hetzelfde als dat van de liturgie als geheel.

Iconoclasme rust ten diepste op een theologie die beweert dat God onkenbaar is. Hij is zo anders dat niets kan worden afgebeeld. Maar Hij kwam de wereld in als mens, en Hij is prima in staat om zich aan mensen bekend te maken.

In de eerste 12 eeuwen bestond nauwelijks verschil in hoe iconen werden gemaakt en beschouwd. De iconologie van de westerse en de oosterse kerk was wezenlijk hetzelfde. Ik zal nu niet ingaan op de historische beschrijving van hoe een en ander veranderde, maar vermeld slechts dat Ratzinger zegt dat Vaticanum II terecht besloot afstand te doen van veel religieuze kitch.

Hoe nu verder? Ratzinger concludeert:

1. De afwezigheid van iconen is niet te combineren met geloof in de vleeswording van God. God is in onze wereld van de zintuigen binnengekomen.

2. Gewijde kunst vindt zijn onderwerpen in de heilsgeschiedenis – van schepping tot voleinding.

3. De afbeeldingen van de geschiedenis van God met de mensen illustreert niet slechts een opeenvolging van gebeurtenissen in het verleden; het toont ook in de innerlijke eenheid van Gods daden. Daardoor hebben ze altijd te maken met de doop en de eucharistie, waarin die eenheid ook zichtbaar is. Iconen wijzen dus op Gods aanwezigheid – ze zijn essentieel verbonden aan wat in de liturgie gebeurt.

4. De afbeeldingen van Christus en de heiligen zijn geen foto’s. Hun doel is om ons te leiden van wat we zien, naar een nieuwe manier van kijken, met onze innerlijk geestesogen. Zo zien we de Onzichtbare door het zichtbare. Zo staat de icoon dus ook in dienst van de liturgie.

5. De westerse kerk moet van harte het Zevende Oecumenische Concilie onderschrijven; daar werd het fundamentele belang en de theologische status van iconen voor de kerk bevestigd. Wat daar werd gezegd is normatief voor de hele kerk.

Tot zover Ratzinger. Voor de geïnteresseerde, ik heb op Facebook een pagina over Egyptische iconen. Kijk daar eens rond.  Ik heb ook wat mooie te koop :)

zaterdag 8 juni 2013

Heilige Tijd (Sacred Time)

Door mens te worden en naar de boezem van God terug te keren, heeft de Zoon van God de ‘gewone tijd’ opgenomen in de eeuwigheid. ‘Time co-exists with eternity’, zegt Joseph Ratzinger in zijn boek The Spirit of the Liturgy (Ignatius Press, San Francisco), p. 92, in zijn hoofdstuk Sacred Time.

Alle tijd is van God. Tegelijk, de kerk bestaat in de ‘tussentijd’, tussen de schaduw en de werkelijkheid. De kerk heeft daarom tijd nodig, een moment, om de tijd in zijn geheel in de handen van God te trekken.

Tijd is een kosmische werkelijkheid. Dat de aarde om de zon draait geeft aan het bestaan zijn ritme. Dat de maan om de aarde draait zorgt voor een tweede ritme.

De mens heeft zijn eigen tijd. In de tijd van de mens komen de verschillende niveaus van leven – het organische en het geestelijk-intellectuele – samen in een mysterieuze synthese, die weer onderdeel is van het immense heelal maar ook van de gewone geschiedenis. Het pad van de mens dat we geschiedenis noemen is een specifieke vorm van tijd.

Dit alles is aanwezig in de liturgie. De heilige ruimte van de liturgie duidt al op tijd, zoals de gebedsrichting naar het oosten die met de opkomende zon samenhangt, en de focus op het offer dat Christus in de tijd bracht, en de nadruk op het komende toekomstige koninkrijk. Tijd en ruimte zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden.

In de vroomheid van het Oude Testament treffen we een dubbele verdeling van tijd aan, namelijk de week die uitmondt in de viering van de sabbat, en de feesten gedurende het (maan)jaar. Die feesten hangen samen met het thema van de schepping (zaaien en oogsten) en met de herinnering aan God verlossende daden in de geschiedenis.

Dezelfde visie tref je in het Christendom aan. We hebben een diepe relatie met de Joodse erfenis. We hebben het wekelijkse ritme. De dag van de opstanding van Christus is de nieuwe sabbat. Op die dag kwam de Heer tot de zijnen om ze uit te nodigen in zijn liturgie, voor de verheerlijking van God en om zichzelf aan de zijnen te geven.

De kerk sloot ook aan bij de seizoenen van het Jodendom, met name bij de feest van het Pascha. De datering daarvan gaf de kerk veel redenen om over de aard van dat feest na te denken. In Klein Azie bestond de gewoonte om het te vieren in verband met de Joodse paasdatum, op 14 Nisan. Maar vooral in Rome werd het feest altijd aan een zondag verbonden, als de dag van de opstanding. Het werd dus gevierd op de zondag na de eerste volle maan in het voorjaar. Het concilie van Nicea (325) sloot bij deze gewoonte aan. Het feest werd daarmee verbonden aan de kalender van de zon, zonder met de kalender van de maanmaanden te breken.

Voor Israel was het pascha niet slechts een kosmisch festival – verbonden aan de seizoenen – maar het was in essentie bedoeld als historische gedachtenis. Het herinnert Israel aan Gods verlossende daden en het vormen van de gemeenschap van het volk. Deze betekenis werd overgenomen in het Christendom als de diepte van de betekenis van de Opstanding van Christus. Jezus wilde bewust op dat moment sterven; Hij noemde het ‘zijn uur’.

De opstanding van Christus is niet alleen de opstanding van Hem als individu; Hij is nu eeuwig aanwezig om mensen tot hetzelfde leven te trekken. Pasen is daarom ook een doopfeest geworden. Door de doop – denk aan de Rode Zee – brengt de mens zijn bestaan in verband met Christus en diens hele volk. Het vormt het nieuwe Volk van God.

Kerst is het tweede centrale punt in het kerkelijk jaar. In het Nieuwe Testament staat de theologie van de incarnatie op gelijke voet met de theologie van de verlossing. Het zijn de twee niet te scheiden foci van het ene geloof in Christus, de vleesgeworden Zoon van God en de Verlosser.

Daarom moest de vleeswording in de liturgie zijn plaats krijgen, in het ritme van de heilige tijd. Rond de derde eeuw kreeg dit feest zijn huidige vorm. Ongeveer in dezelfde periode ging het oosten dat vieren als de Epifanie, op 6 januari, en het westen gebruikte 25 december. De betekenis van die feesten was hetzelfde. Het ging over het opgaan van de zon, van Christus, als het begin van een nieuwe tijd.

Uitgangspunt voor het dateren van de geboorte van Christus was 25 maart. Tertullianus geloofde dat Christus op deze dag werd gekruisigd. In Gallie was deze datum tot in de zesde eeuw de vaste paasdatum. Het was bovendien de dag waarop velen de eerste scheppingsdag dateerden.

Op 25 maart gedacht de kerk de aankondiging door de engel en de conceptie van Jezus door de heilige Geest. Negen maanden later werd hij geboren. In het oosten bleef voor velen 6 januari de datum.

De kerk combineerde dus schepping, incarnatie en verlossing op 25 maart. Deze datum bracht de kosmos en de verlossing samen.

vrijdag 24 mei 2013

Recensie van mijn boek in het Nederlands Dagblad

Het Nederlands Dagblad plaatste vanmorgen een aardige recensie van mijn boek waarin ik vragen van atheisten aan het christelijk geloof beantwoord. Mooi dat de recensent er soms om moest lachen!

Christusbewuste antwoorden
auteur: Dick Schinkelshoek

De anglicaanse priester in Caïro, journalist en schrijver Jos Strengholt schreef korte antwoorden op zeker tweehonderd vragen van atheïsten aan het christelijk geloof. Hilarisch en scherp.

Graan dat sterft als het op het land valt – is dat geen onzin? Welnee, zegt Strengholt. Heeft de vraagsteller het dan zelf nooit teleurgesteld over bloemen in de tuin die doodgegaan zijn? En als je het hebt over het wetenschappelijke bewijs dat de exodus uit Egypte nooit plaatsvond, weet je dan niet dat het bijna onmogelijk is te bewijzen dat iets niet is gebeurd? Los ervan dat het christelijk geloof veel zwaarder leunt op een historische opstanding van Christus dan op een historische uittocht uit Egypte: over een paar jaar grondig onderzoek zijn er vast weer geleerden die anders concluderen.

Veel geschamper van atheïsten over de Bijbel, als gedateerd en innerlijk tegenstrijdig boek, berust nergens op. De evolutietheorie heeft helemaal niet bewezen dat het scheppingsverhaal onzin is, zoals de natuurwetenschappen niet hebben bewezen dat God niet bestaat.

Zelfverzekerd maar ook eerlijk gaat Jos Strengholt, Nederlands theoloog en werkzaam als anglicaans priester in Caïro, zeker tweehonderd kritische vragen langs die atheïsten wel aan het christelijk geloof stellen.

Strengholt wilde ‘echte’ – en geen zelf geconstrueerde – vragen gebruiken om die te beantwoorden. Vragen die bovendien op hun scherpst zijn geformuleerd. Hij vond ze op freethinker.nl, een website waar ‘het vrije denken regeert’ en atheïsten elkaar vinden in hun strijd tegen alles wat naar religie riekt. Voor de soms militante en vaker tamelijk onwetende atheïstische bezoekers van deze website en hun geloofsgenoten schreef hij zijn Kleine catechismus. Niet om te bewijzen dat het christelijk geloof waar is, of Jezus navolgenswaardig, maar om aan te tonen dat heel wat kritische vragen aan het geloof christenen minder in de problemen brengen dan wel wordt gedacht.

De vragen gaan over de betrouwbaarheid en de boodschap van de Bijbel, over de evolutietheorie, over Gods eigenschappen (‘Hoe kan een alwetende God teleurgesteld zijn in mensen?’), over de moraal van christenen en over allerhande ‘godsbewijzen’. Soms geeft Strengholt toe dat hij het antwoord toch niet weet. Zoals over de vijgenboom die op bevel van Jezus verdort. Soms is zijn toon spottend, ironisch, af en toe bijna bijtend, hilarisch ook, maar meestal open en oprecht. Strengholt aarzelt ook niet om zijn eigen verwonderde vroomheid te laten zien. Zoals in zijn passage over Gods liefde (‘Hoe kun je van Iemand houden die je nooit hebt gezien?’). Daar wordt zijn schrijftoon ingehouden, stil bijna.

Zouden alle christenen het precies zo zeggen en zien als Strengholt? Vast niet. Maar zijn zelfbewuste (of is het ‘Christus-bewuste’) houding en zijn soms verrassende doorkijkjes zorgen voor een reeks leerzame antwoorden. Waar je soms ook hard om kan lachen. ■


Als Adam en Eva alleen drie zonen hadden, waar komen wij dan vandaan?
Wie zegt dat Adam en Eva alleen drie zonen hadden? Sommige christenen beweren dat er blijkbaar ook sprake was van zussen. Maar de gedachte dat die zonen baby’s verwekten bij niet genoemde zussen, vind ik beslist onprettig en het staat ook haaks op alle wetten tegen incest in het Oude Testament, Ondanks dat zijn er christenen die dit als optie aanhangen om dit probleem op te lossen. Evolutionisten kunnen trouwens moeilijk het morele vingertje opheffen in dit geval, want wie uitgaat van een zich langzaam ontwikkelende mensheid kan zich, lijkt me, nauwelijks bekommeren om de moraal van de eerste mensachtigen. Alsof de zich zo ontwikkelende mensheid regels had tegen incest.
Alternatief: er waren naast Adam en Eva in den beginne meer families geschapen. In dat geval deelden die in de zondeval door Adam en Eva, net als de hele schepping. En ze zondigden dan ongetwijfeld op soortgelijke wijze als Adam en Eva. Maar ach, dit is zo speculatief. We weten het gewoon niet. Ook evolutionisten hebben nauwelijks een idee over de eerste mensachtigen en hoe zich daaruit de mensheid ontwikkelde.

Kleine catechismus voor freethinkers. Prikkelende vragen aan het christelijk geloof.
Jos Strengholt. Uitg. Medema, Heerenveen 2013. 185 blz. € 14,95

zondag 19 mei 2013

De randloze kerk

Interessante discussie speelt zich af over de vraag of de kerk wel 'randen' moet hebben.  Mooi, geen randen, en je kan de hele wereld je parochie noemen!  Dat heeft natuurlijk wel wat, zeker als het binnen je kerkmuren niet zo lekker gaat.

Ik heb ook behoefte aan een randloze kerk, in zoverre dit ervoor zorgt dat meer buitenstaanders zich bij ons thuisvoelen en binnenkomen.  Maar moet ik zelfs het begrip binnen en buiten dan maar loslaten?

Er is duidelijk spraakverwarring over het begrip kerk.  De vraag is of je theologisch of sociologisch naar de kerk kijkt.  Theologie moet m.i. vooraf gaan aan de sociologie, en het nieuwe testament is bomvol theologie over de kerk.  Daarover is toch niet zoveel spraakverwarring mogelijk? 

Maar ook theologisch kan je op verschillende manieren naar de kerk kijken - om maar wat termen uit de leer over de drie-eenheid te lenen, je hebt een ontologie van de kerk, en een economie van de kerk.

Ontologisch is de kerk het lichaam van Christus - en daar hoor je alleen bij door geloof.  Economisch kan je over de kerk spreken in termen van hoe de bijbel spreekt over de organisatievorm - en die is wel degelijk aanwezig in de bijbel.  Dit moeten denk ik de contouren zijn waaraan we onwrikbaar vasthouden.       

Als we deze contouren scherp in het oog houden, hebben we nog steeds veel bewegingsruimte om kerk sociologisch te organiseren op een manier die bij onze tijd past.  Kijk naar hoe de Anglicaanse kerk in England kan spelen met nieuwe vormen.  Als de theologische structuur helder is, krijg je speelruimte.  Als je vooral op de sociologie gericht bent, maak je brokken denk ik.

En laat hierbij vaststaan: de kerk is niet een knikkerzak van passanten... Het is, om de term van Paulus te  gebruiken, onze 'moeder'.  En aan de keukentafel van 'moeder' is veel ruimte voor kinderen uit de buurt.  Maar dat wil niet zeggen dat er geen bewoners en bezoekers van het huis van de kerk zijn.  Je bent pas een bewoner van het huis van de kerk, een gezinslid, als je het geloof van het gezin deelt.

Natuurlijk kunnen wij niet altijd scherp zien wie de kinderen en wie de bezoekers zijn; wie kan in het hart van een ander kijken?  Maar het is ook echt niet nodig om daarom maar agnostisch te zijn over wat de kerk is en wie erbij hoort. 

In mijn kerk in Egypte hebben we vastgesteld dat een ieder die drie maanden lang regelmatig in de eredienst komt, voor het gemak maar als lid wordt beschouwd. Daarvoor hoeft iemand geen cardholding Anglicaan te worden. Zulke mensen mogen lid zijn van onze kerkenraad.

De grenzen van onze kerk zijn dus wat vaag.  Maar dat is sociologie, geen theologie.  Methodiek, geen ontologie.  Het zijn onze welkomende armen, de open armen van de Vader.  Maar wie daar slechts naar kijkt en niet meedoet in geloof, blijft nog steeds buiten de kerk, ook als hij elke week op de voorste kerkbank zit.

zaterdag 18 mei 2013

Paleo-orthodoxie en de tabernakel in de liturgie

In zijn boek The Spirit of the Liturgy wijdt de voormalige paus, Joseph Ratzinger, een hoofdstuk aan de manier waarop in de Roomse liturgie het sacrament van de eucharistie wordt bewaard in een ‘tabernakel’ op het hoogaltaar in de kerk. Op de foto is de tabernakel het centrale 'huisje' met het groene gordijn ervoor.

Dit hoofdstuk komt me over als een fremdkörper in dit boek van Ratzinger. Ik leg uit waarom, aan de hand van wat ‘principes’ van paleo-orthodoxie.

Ten eerste, Ratzinger’s openingszin luidt: ‘De kerk van het eerste millennium wist niets van [onze Roomse] tabernakels.’ Welaan, dan kan het toch niet van enorm belang zijn, is mijn conclusie direct. Maar Ratzinger legt uit waarom ik me vergis.

De tabernakel is het voorwerp op het altaar waarin de geconsecreerde hosties worden gewaard. Die worden beschouwd als de ‘aanwezigheid van de levende Heer’. Het gebruik van die tabernakel ‘is de vrucht van gepassioneerde theologische strijd’ aan het begin van het tweede millennium. Ratzinger bespreekt vervolgens kort het belang van de transsubstantiatie, waar ik nu niet op inga. Ratzinger doet dat ook niet, maar hij beklemtoond wel dat het Nieuwe Testament (Paulus, Johannes 6, etc) geloofden dat brood en wijn het Lichaam en Bloed van Christus worden die zichzelf aan ons te eten geeft.

Het eucharistische lichaam van de Heer wordt aan ons gegeven zodat wij als gelovigen samen zijn ware lichaam worden. Maar de gave van de eucharistie kan dit alleen doen omdat brood en wijn zijn ware lichaam en bloed worden, argumenteert Ratzinger. Dit vind ik een waardevolle gedachte. Maar hiervoor heb ik niet de ingewikkelde constructie van transsubstantiatie nodig.

Ja, als ik de eucharistie vier is het werkelijk Christus die zich in brood en wijn aan ons aanbiedt. Maar in onze Anglicaanse liturgie bidden we dat dit brood en deze wijn ‘voor ons’ het lichaam en bloed van Christus zijn, en we worden gedrongen het aan te nemen in geloof en met dankzegging. Het wonder speelt zich niet af in de elementen van brood en wijn, maar in onze relatie met Christus. Hij gebruikt in die relatie brood en wijn om zich aan ons bestaan op te dringen: het is zijn lichaam dat we eten en zijn bloed dat we drinken. Maar dat is alleen zo voor wie Christus, in de gedaante van brood en wijn, in geloof en met dankzegging (eucharistie) aanvaardt.

Ratzinger is het hiermee niet eens natuurlijk. Hij zegt: "De vroege kerk was zich al goed bewust dat het brood, zodra het was veranderd, veranderd bleef. Daarom [brachten ze het rond naar] de zieken, en dat is waarom ze het met zoveel eerbied behandelden, zoals de oosterse kerk nog steeds doet."

Inderdaad, ook in Egypte gaan we uiterst zorgvuldig met brood en wijn om. Maar de oosterse kerk had daar nooit een leer van transsubstantiatie voor nodig. En ook als Anglicanen kunnen we het brood bij zieken brengen, maar dat is omdat ze daardoor de eenheid met de gelovigen en de gemeenschap met de Heer beleven als ze niet zelf naar de kerk kunnen komen.

Na afloop van de viering drink ik meestal de beker leeg, en het brood delen we uit onder de kerkgangers zodat we het samen opeten. Uit eerbied – we bewaren het niet. Dat zou ook lastig zijn met het brood dat we gebruiken - dat is in een paar uur oud.

In onze Anglikaanse kerk hebben we dus geen tabernakel op het altaar of elders – we drinken alle wijn en eten alle brood. Dat is praktisch, maar we zouden ook als we hosties gebruiken dat toch niet behandelen, na afloop van de eredienst, alsof we met Jezus zelf te maken hebben. Deze objectivering van brood en wijn als Lichaam en Bloed gaat me te ver. Jezus komt in de eredienst tot ons als brood en wijn voor wie dat brood en die wijn, ja de Heer Jezus zelf, in geloof ontvangt. Meer moeten we hierover denk ik niet zeggen.

Ik geloof in de echte aanwezigheid van onze Heer in brood en wijn. Hoe zou ik kunnen geloven in de afwezigheid van Hem, of in de onechte aanwezigheid. Maar die echte aanwezigheid hoef ik niet in theologische finesses uit te spellen.

Wel verzet ik me van harte tegen het idee dat brood en wijn slechts symbolen zijn. Door het gebed van de predikant, voorganger, priester, krijgen brood en wijn een ander karakter voor wie het in geloof ontvangt. Christus is werkelijk aanwezig als we eten en drinken. Hij geeft zich aan ons. Het offer dat hij eenmaal bracht wordt geactualiseerd voor onze ogen en Hem nemen we tot ons als we brood en wijn nuttigen.

Brood eten en wijn drinken is eredienst. Het is Christus die tot iedere individu komt zodat we als individuen een zijn met Hem en met elkaar, zegt Ratzinger. Dat zijn mooie woorden. Hij verbindt deze communion met de noodzaak van adoration. Het is de aanbidding van het Lam – in geloof en met dankzegging – die de eucharistie zijn waarde geeft. Dat is het hoogtepunt van de gemeenschap met Christus.

Voor Ratzinger betekent dit dat je als gelovige in aanbidding naar de hostie in de tabernakel kan opzien. Daarom moet het dus in de liturgie een voorname rol spelen.

Vanuit mijn paleo-orthodoxe benadering concludeer ik ten eerste dat iets dat in de eerste 1000 jaar van de kerk niet bestond, toch nooit zo van enorm belang kan zijn in de liturgie van de kerk. Ik heb er geen boodschap aan, temeer daar de argumenten voor de tabernakel sterk samenhangen met transsubstantiatie waar in de oude kerk ook niet over werd gesproken.

Tegelijk, de leer van transsubstantiatie spreekt de leer en het gebruik in de oude kerk ook niet tegen. Daarom zal ik er in mijn omgang met mijn katholieke geloofsbroeders nooit een breekpunt van maken. De oude kerk geloofde van harte dat brood en wijn het echte lichaam van Christus werden, en dat geloof delen we.

Om buiten de eredienst om dat brood en wijn als Jezus te behandelen, gaat me wel te ver. Ik aanbid Hem, niet het brood en de wijn die Hij gebruikt om tot me te komen. Net zomin als ik het doopwater aanbid omdat Hij het water gebruikt om ons te behouden.

Overigens.... er zijn Anglikaanse kerken die wel zo'n tabernakel hebben - als ze in de Anglo-Katholieke traditie staan.  Ik vraag me vaak af waarom zulke Anglikanen zich niet gewoon bij de kerk van Rome aansluiten.  Nou ja, voor hun priesters is dat vervelend - ze raken er hun bij de Anglikaanse instanties opgebouwde pensioen mee kwijt.

zondag 12 mei 2013

Hebben de Joden Jezus vermoord?

Vrijdag preekte ik naar aanleiding van Handelingen 5, over de vraag of de Joden Jezus hebben vermoord. En wat daarom de conseqenties zijn.  Hier die preek als pdf.  Het blijft boeien, nietwaar?