donderdag 11 september 2014

Cyprianus - Brief 13 - Cyprianus aan zijn broeders, Rogatianus de priester, en de andere belijders

Cyprianus schreef deze dertiende brief aan de broeders, de priester Rogantianus, en aan de andere belijders.

Het is al weer enige tijd geleden dat Cyprianus aan hen schreef. De hele kerk is blij met het standvastige geloof van deze broeders, maar vooral de bisschop, want “de heerlijkheid van de kerk is de heerlijkheid van haar leider”. Deze vreugde zorgt voor de balans want er is verdriet over hen die zijn gevallen door de gewelddadige storm. (1)

Cyprianus waarschuwt de gelovigen dat ze standvastig moeten blijven tot het eind. (2.1)

Wie belijder is, moet oppassen dat hij zich aan het onderwijs van de Heer blijft houden, anders zal Gods genade hun alsnog verlaten. (2.2)

Cyprianus moedigt de lezers aan om nederig, vreedzaam en rustig te blijven. Vooral jullie die belijders zijn en veel respect genieten moeten dat voorbeeld geven. (3.1)

Met veel bijbelverzen laat Cyprianus het belang van een goede levenswandel zien, en hij zegt blij te zijn dat de meesten van hen ook zo leven. (3.2)

Maar Cyprianus heeft gehoord dat sommigen de gemeenschap bezoedelen met hun gedrag. Omwille van hun eigen reputatie moeten geadresseerden de personen vermanen en corrigeren. Cyprianus noemt gevallen van dronkenschap, een moreel losse levensstijl, en iemand die is teruggekeerd naar Carthago na verbannen te zijn als crimineel. (4.1)

Ook zijn er gemeenteleden die opgeblazen zijn en trots. (4.2)

De gelovigen moeten hun Heer navolgen, nederig, vreedzaam en stil. Hoe nederiger iemand is, de meer hij wordt verheven. (4.3)

Ook zijn er tot verdriet van Cyprianus belijders die de tempels van God vervuilen door schandelijk met andere vrouwen het bed te delen. Misschien zijn ze voor hun geweten niet bezoedeld, maar het is ook al een zware zonde om een schandaal te veroorzaken en een slecht voorbeeld te zijn waardoor misschien anderen ten val komen. (5.1)

Belijders moeten ook uitkijken dat ze niet ruziën of jaloers zijn; wie woorden van vrede en goedheid spreekt is een dagelijkse belijder van Christus. (5.2)

Toen we werden gedoopt hebben we de wereld afgezworen, maar dat hebben we nu, na alle testen, pas echt gedaan. (5.3)

We moeten elkaar versterken door elkaar te bemoedigen; en als er weer vrede is en we naar de Kerk terugkeren, gecorrigeerd en hervormd door de verdrukkingen, zullen de mensen ons des te meer bewonderen.(6)

Toen jullie nog gevangen zaten schreef ik aan de priesters en diakenen, en dat heb ik nu weer gedaan. Dat ze jullie alles wat je op gebied van voedsel en kleding nodig hebt, zullen geven. Eerder stuurde ik 250 sestertiën, en nu stuur ik jullie rechtstreeks opnieuw dat bedrag. Victor, de diaken en voorheen een lector die bij me is, stuurt jullie ook 175 sestertiën. Ik ben blij dat onze broeders onderling wedijveren om jullie bij te staan. (7)

Opmerkingen: 
  • De vorige brief waar Cyprianus naar verwijst is natuurlijk brief 6, maar waarschijnlijk voor de martelingen etc. die in de brieven 10-12 worden genoemd. Dus voor medio April 250AD.
  • Toen deze brief werd geschreven waren Rogatianus en de andere belijders uit de gevangenis vrijgelaten.
  • Voor Cyprianus was er maar een kerk en dat was de kerk van de bisschoppen.
  • Iemand die uit ballingschap terugkeerde ging tegen de Romeinse wet in en maakte zich daarmee een crimineel. Cyprianus als aristocraat respecteerde blijkbaar zulke wetgeving.
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.


maandag 8 september 2014

Creationisten zijn veel te modern

Vandaag in het Reformatorisch Dagblad:
De creationistische organisatie Answers in Genesis (AiG) ondervindt de meeste tegenstand van kerken, aldus directeur Ken Ham zaterdag op de UK Creation Megaconferentie in het Engelse Birmingham.
AiG richt zich vooral op kerken. Daarin is volgens Ham het seculiere gedachtegoed verder doorgedrongen dan meestal wordt aangenomen.
De ouderdom van de aarde is volgens Ham hét punt waarop het gangbare wereldbeeld en de Bijbel botsen. „Alle ontstaanstheorieën van christenwetenschappers, behalve die van een zesdaagse schepping, hebben gemeen dat ze op een of andere manier miljoenen jaren in de Bijbel willen stoppen.”
Dat verzet vooral van de kerken komt is toch niet vreemd? Buiten de kerken heeft niemand interesse in dit zogenoemde 'creationisme'.  En ook ik heb geen enkele interesse in dit soort fundamentalisme.  Even vooropgesteld, ik heb ook geen interesse in evolutionisme.

Maar om binnen-kerkelijk verzet tegen AIG gelijk te stellen met secularisme is ook eenzijdig.  Was kerkvader Augustinus seculier? Hij geloofde niet in een schepping in 6x24 uur, in 4004 voor Chr.

Ik geloof van harte het scheppingsverhaal in de bijbel.  God schiep de wereld.  Maar om Genesis 1 en 2 als moderne geschiedschrijving te zien, is onbijbels.  Wie dat doet, is moderner dan hij denkt; hij probeert de bijbel te persen in een 19de eeuwse wetenschapsopvatting.






Cyprianus - Brief 12 - Cyprianus aan priesters en diakenen in Carthago

Cyprianus richt deze twaalfde brief aan zijn priesters en diakenen in Carthago.

Cyprianus beseft dat hij in eerdere brieven ook al aandrong op goede zorg voor wie de Heer beleden en die nu gevangen zitten. Hij zou graag zelf in de stad zijn om de vervolgenden bij te staan maar dat gaat niet door zijn positie. Hij vraagt de priesters en diakenen om in zijn plaats charitatief werk te doen. (1.1)

Speciale zorg moet worden besteed aan de lichamen van hen die in de gevangenis zijn overleden zonder dat ze gemarteld zijn. Deze mensen moeten net als wie ter dood zijn gemarteld, tot de martelaren worden gerekend. Ze waren bereid gemarteld te worden, en dus is hun verdienste even groot als die van wie uiteindelijk werden doodgemarteld.(1.2)

Met wat bijbelverzen moedigt Cyprianus de gelovigen aan tot trouw aan de Heer; de marteldood is glorieus. (1.3)

De prriesters en diakenen moeten de dag waarop de martelaren stierven noteren om hun herinnering te vieren bij de viering van de martelaren. Tertullus, die zorg draagt voor de lichamen van hen die stierven, laat aan Cyprianus hun sterfdag weten. Cyprianys viert met wie bij hem zijn de gaven en offers (Latijn: oblationes et sacrificia) in hun gedachtenis, en hoopt dat spoedig ook in Carthago te doen. (2.1)

Zorg ook goed voor de armen, dat is voor de armen die trouw zijn gebleven aan het geloof. (2.2)

Opmerkingen: 
  • De brief moet ergens in april of mei 250 worden gedateerd maar niet duidelijk is wanneer precies.
  • Duidelijk is dat de aandacht voor martelingen in jaarlijkse herinneringen al normaal was ttv Cyprianus. Romeinen herdachten hun ouders’ geboortedagen. Christenen gedachten de sterfdagen van de martelaren. Dit ging niet om de gewone mis voor overledenen; dit waren jaarlijks festiviteiten.
  • Tertullus hield Cyprianus op de hoogte van de sterfdagen van de martelaren, en vast ook wel van andere dingen die gaande waren in Carthago. Was dit een manier van Cyprianus om te laten weten dat hij wist wat onder de gelovigen gaande was? 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

vrijdag 29 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 11 - Cyprianus aan priesters en diakenen in Carthago in zware verdrukking

Deze elfde brief van Cyprianus is gericht aan de priesters en diakenen in Carthago in zware verdrukking.

Cyprianus spreekt over de noodzaak van voorbede en vasten. (1.1) Er is immers sprake van een verwoestende verdrukking die het grootste deel van de kudde heeft verwoest. Die verdrukking gaat nog door. (1.2)

De verdrukking is de straf van God voor onze zonden, zegt Cyprianus. Hij wijst op een streven naar bezit en winst, trots, tweedracht. Onschuld en geloof zijn daarentegen veronachtzaamd. Iedereen geeft alleen maar om zichzelf. ‘Dus krijgen we het pak slaag dat we verdienen’. (1.2)

Zelfs belijders houden zich niet aan de discipline maar zijn ijdel en onbescheiden. Daarom is de marteling gekomen, martelingen die niet uitmonden in veroordeling en dood, zonder de troost van de dood en de kroon. Slechts enkelen gaf God het voorrecht dat ze onder de martelingen bezweken. (1.3)

Met citaten uit het OT zegt Cyprianus dat het de zonden van de kerk zijn die voor dit oordeel van God zorgen. (2.1)

De enige oplossing is aanhoudend gebed. (2.2)

Cyprianus schrijft deze brief omdat hij een visioen heeft gehad. In dat visioen de woorden “vraag en je zult ontvangen” werden gesproken. De gemeente die daarbij stond kreeg toen opdracht voor bepaalde mensen te bidden, maar hij stemmen waren niet in harmonie en hun wil conflicteerde. De Heer was boos dat zijn gemeente verdeeld was. (3.1)

Het kwaad van de verdrukkingen zou nooit zijn gebeurd als de gemeente eenparig had gebeden. (3.2)

Een ander visioen dat Cyprianus lang voor de huidige problemen had, was dit: Een vader zat naast een jongeman. Die jongeman keek erg bezorgd. Aan de andere kant van de vader stond een andere jongeman met een net waarin hij de omstanders dreigde te vangen. De zittende jongeman was verdrietig omdat zijn voorschriften werden veronachtzaamd; de staande jongeman was blij omdat hij de gelegenheid kreeg van de vader om woest te vernietigen. (4.1) We zien dat dit visioen nu in vervulling gaat. (4.2)

In een derde visioen (?) zag Cyprianus dat de gemeente niet serieus genoeg voorbede doet, en daarom roept hij daar nu toe op. God mint degenen die hij kastijdt; hij doet dat om ze te verbeteren voor hun heil. (5.1)

Onze Heer waakte en bad voor ons, dus moeten wij dat zelf deze te meer doen - bidden tot onze Heer, en via Hem, het goed maken met God de Vader. (5.2)

“Jezus Christus onze Heer en God hebben we als advocaat en voorbidder voor onze zonden, op voorwaarde dat we ons bekeren van onze zonden uit het verleden, dat we belijden en erkennen dat onze huidige overtredingen onze Heer stuiten, en dat we beloven dat we in elk geval in de toekomst in zijn wegen wandelen en zijn geboden vrezen.” (5.3)

Zelfs nu God ons test en kastijdt, beschermt Hij ons. Niets kan ons, die geloven en die vasthouden aan zijn lichaam en zijn bloed, van Hem scheiden. De verdrukking is bedoeld om ons te schiften en om onze zondigheid aan het licht te brengen. (5.3)

In wat schijnbaar een vierde visioen is, zegt de Heer tegen zelfde minste van zijn dienaars, om “niet bang te zijn want er komt vrede, maar er is momenteel een kort uitstel want sommige moeten nog getest worden.” (6.1)

Een vijfde visioen? Cyprianus zegt dat de gelovigen zich ook van teveel eten en drinken moeten onthouden, opdat ze niet worden verleid om minder te bidden. (6.2)

De priesters en diakenen moeten deze brief met de visioenen verspreiden zodat de broeders het kunnen lezen. (7.1)

Een ieder moet niet alleen voor zichzelf maar ook voor de anderen bidden. Als de Heer onze nederigheid en vreedzaamheid en eenheid ziet, als hij ziet hoe de gelovigen zijn gekastijd en aangepast door de huidige verdrukkingen, zal Hij ons beveiligen van de aanvallen van de vijand. Als we zijn gedisciplineerd zal hij ons vergeven. (7.3)

We moeten eensgezind de Heer bidden om uitredding. Dat past mensen die zich bevinden “temidden van de klaagzangen van de gevallenen, en het beven van het overblijfsel dat er nog is, temidden van de menigte van hen die flauwgevallen en verwoest terneerliggen, en de kleine groep die nog standhoudt.” (8)

We moeten bidden dat vrede snel wordt hersteld, dat spoedig hulp komt op de plaatsen waar we ons verborgen houden, en voor het herstel van de Kerk, de zekerheid van onze redding, heldere lucht na regen, licht na duisternis,een zachte rust na een wilde storm. Dat de blasfemie van de verdrukkers wordt verslagen, de bekering van wie gevallen zijn wordt hersteld, en dat het sterke geloof van wie volharden zal worden verheerlijkt. (8)

Opmerkingen: 
  • Deze brief werd waarschijnlijke tegelijk met Brief 10 verzonden. Cyprianus had de gewoonte om tegelijk brieven aan de (vrije) priesters en aan de belijders in de gevangenis te sturen. (5 en 6, 13en 14, 15 en 16) 
  • Datering midden april 250? 
  • De situatie voor de kerk in Carthago is nu verschrikkelijk. En tegelijk zijn sommige standvastige belijders trots - misschien wel omdat ze zich trouw hebben getoond? 
  • De meerderheid van de gemeenschap lijkt gevallen te zijn voor de druk om te offeren. 
  • Grote nadruk op de noodzaak van eengezindheid en gebed 
  • Ik suggereer dat Cyprianus misschien wel naar 5 visioenen verwijst. Het zijn er in elk geval twee. Misschien dat de andere gedeelten die ik als visioenen of ‘woorden van de Heer’ herken, daar onderdeel van zijn. 
  • In een tijd van enorme terreur tegen de kerk is mogelijk dat Cyprianus ‘ze ziet vliegen’ - maar het kan ook dat in die situatie de Heer extra nabij is. Hoe de lezer dit ziet is afhankelijk van het geloof van de lezer. 
  • De houding van Cyprianus om de zware verdrukking een straf van God voor de zonden van de kerk te noemen, lijkt me bijzonder onpastoraal. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

dinsdag 19 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 10 - Aan de belijders in de gevangenis in Carthago

Deze tiende brief van Cyprianus is gericht aan de belijders in de gevangenis in Carthago

Cyprianus prijst de belijders gelukkig wegens hun geloof en hun kracht. Hij zegt dat namens ‘onze Moeder de Kerk’. Het is nog maar kortgeleden dat een aantal gelovigen die vastbesloten was in hun belijdenis in ballingschap gingen om hun straf te ontlopen. Maar een belijder zijn is, nu Cyprianus dit schrijft, moeilijker geworden - ‘het vereist meer moed’, maar het geeft ook meer eer. ‘De strijd is toegenomen, en daarmee de heerlijkheid voor de strijders.’ Er is sprake van martelingen.(1.1)

Sommigen van jullie in de gevangenis hebben hun kroon reeds ontvangen. Cyprianus moedigt de andere in de gevangenis aan om het geloof standvastig vast te houden. (1.2)

Er is sprake van ‘de hardste ondervragingen’, ‘martelingen, ‘kwellingen’, ‘hardste slachtpartij’. Maar dit bracht de mannen van God des te sneller bij hun Heer. (2.1)

Cyprianus spreekt vol lof over de wonderlijke manier waarop de christenen ondanks de vreselijke martelingen standhielden, waarmee ze de daders overwonnen. (2.2) Christus, de Geest en de Vader zijn in hun midden als ze de tot aan de overwinning strijden voor hem. (2.3; 3)

Cyprianus beschrijft vervolgens de ene martelaar Mappalicus die de proconsul toeriep, ‘de strijd zal je morgen zien’. Dat gebeurde inderdaad; de dag daarop kreeg hij zijn kroon. (4.1) ‘Dit is de strijd van ons geloof, waarin we strijden, waarin we verwinnen, waarin we gekroond worden.’ (4.2)

De apostel Paulus streed deze strijd. Het was voorspeld door de profeten, getoond door de Heer, uitgevoerd door de apostelen. Mappalicus zegde de strijd aan de proconsul aan. (4.3)

Cyprianus moedigt de overigen in de gevangenis aan om Mappalicus en de anderen die met hem martelaar werden, te volgen in geloof en geduld. Hij roept ze op om door hun standvastigheid de vastberadenheid van de andere gelovigen te versterken. ‘Als het gevechtsfront u roept, als de dag van uw conflict komt, strijd het gevecht dapper, voer de oorlog resoluut.’ Cyprianus onderstreept opnieuw hoe nauw de Heer zelf betrokken is bij het geloofsgevecht voor hen die in de gevangenis zitten. (4.4)

De gevangenen moeten niet teleurgesteld zijn als er weer vrede komt, voordat van hen de eindstrijd verwacht wordt. God kent hun hart en op grond daarvan bepaalt hij wie de kroon krijgt. (5.1)

De Kerk is gezegend, eerst door het witte kleed van de goede daden van de heiligen, en nu ook door het rode gewaad van de martelaren. Laat een ieder streven naar het verkrijgen van de kroon. (5.2)

Opmerkingen: 
  • Deze brief dateert van kort na 17-19 April 250, toen Mappalicus werd gedood. Die datum is al vroeg in de kalender der martelaren gezet. 
  • Mappalicus en zijn metgezellen zijn de eerste martelaren in Carthago. In een latere brief (22) zien we Mappalicus als tweede in een lijst van 17 slachtoffers. Ze waren overigens niet ter dood veroordeeld maar stierven als gevolg van de gevangenis en marteling. 
  • De militaire taal is opvallend - een getuigenis van de strijdvaardigheid van de kerk. 
  • Deze brief is gevonden in een donatistische verzameling van brieven van Cyprianus. 
  • De eerst golf van verdrukking vanaf januari 250 deed de Romeinen de gelovigen in ballingschap sturen; nu gingen ze de gevangenis is en wachtte martelaarschap (april 250). 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

zaterdag 16 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 9 - Cyprianus aan priesters en diakenen in Rome

Deze negende brief van Cyprianus is gericht aan de priesters en diakenen in Rome.

Cyprianus wist niet wat met zijn Romeinse collega was gebeurd maar heeft dankzij een brief van de priesters en diakenen van Rome, verstuurd via de subdiaken Crementius, het verslag van zijn martelaarschap gekregen. (1.1)

Cyprianus feliciteert de kerk in Rome met het geweldige voorbeeld van hun bisschop, en zegt dat diens onwankelbaar geloof en deugd een voorbeeld is. (1.2)

Cyprianus kreeg tegelijk een brief onder ogen die schijnbaar uit Rome was verzonden via Crementius, maar hij is daar niet zeker van; hij stelt vragen bij het handschrift, de inhoud en het feitelijke papier. Hij stuurt die brief dus naar Rome terug ter controle. Cyprianus vermoedt dat met de originele versie gerommeld is; hem is niet duidelijk wie de afzenders en wie de geadresseerden zijn. (2.1)

‘Het is een uiterst zware zaak als de waarheid van een kerkelijke brief is gecorrumpeerd door valsheid of fraude. […] Onderzoek dus het handschrift en de slotconclusies om te zien of dit van jullie afkomstig is en schrijf ons terug wat de waarheid in deze zaak is.’ (2.2)

Opmerkingen: 
  • Cyprianus heeft een verslag gekregen van de dood van bisschop Fabianus, en een brief die hij niet thuis kan brengen. Gaat dit om brief 8? Was hij niet blij met de inhoud die nogal wat kritiek op zijn vlucht inhield? Kon hij niet geloven dat Rome dat zou schrijven? Geeft hij ze een kans daar afstand van te nemen? In ieder geval lijkt deze brief 9 geen vriendschappelijke brief, maar eerder onverholen kritiek op hoe Rome Cyprianus bejegende. 
  • Fabianus werd in januari 250 gedood. Hoorde Cyprianus pas 6 maanden later over de toedracht? Dat bewijst dan wel hoe de verdrukking de normale communicatie tussen de kerken bemoeilijkte. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

vrijdag 15 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 8 - Kerk in Rome aan de kerkleiders in Carthago

Deze achtste brief is een vreemde eend in de bijt; het is een brief van de kerk in Rome gericht aan de kerkleiders in Carthago.

De kerk in Rome heeft van subdiaken Crementius gehoord over de situatie in Carthago en stuurt daarom - waarschijnlijk via deze zelfde Crementius - een brief.

Ze hebben in Rome van Crementius gehoord ‘dat de gezegende papa’ (paus) Cyprianus zich verscholen houdt en ‘het wordt volgehouden dat hij daar zeker goed aan heeft gedaan om de speciale reden dat hij een prominente persoon is.’ (1.1)

‘Maar feit is dat de strijd nu nabij is die God heeft toegelaten…’ God wil dat door deze strijd engelen en mensen zien dat de overwinnaar zijn kroon ontvangt, en dat degene die verliezer is, de straf krijgt.’ (1.1)

‘Wij zijn nu duidelijk de kerkleiders en het is onze taak om over de kudde te waken […] in de plaats van onze herders.’ De brief waarschuwt ervoor om die taak niet te veronachtzamen. (1.1)

De brief haalt vervolgens een aantal bijbelverzen aan over Jezus als Goede Herder die zijn leven inzet voor zijn schapen, en dat hij Petrus aanstelde als herder. Dat hij en de andere apostelen goede herders waren blijkt uit de manier waarop ze om het leven kwamen. (1.2)

Dus is de vraag aan de lezers, om geen huurlingen maar goede herders te zijn. De gemeenteleden lopen groot gevaar om aan afgoderij te gaan doen als ze van de leiders van de kerk niet worden aangemoedigd standvastig in het geloof te zijn. (2.1)

Er komen veel reizigers uit Rome naar Carthago, waardoor de kerkleiders daar kunnen weten dat Rome dit niet slechts zegt, maar ook zelf doet in het zicht van wereldlijke gevaren. ‘We houden de vrees voor God voor ogen en eeuwige straffen, in plaats van vrees voor mensen en kortstondig lijden. We verlaten onze broeders niet maar we moedigen ze aan om standvastig te zijn in het geloof en, wat onze taak is, om bereid te zijn met de Heer te wandelen.’ (2.2)

Sommige gelovigen in Rome waren al onderweg om de verplichte rituelen uit te voeren, en de kerkleiders konden ze daarvan weerhouden.

De kerk in Rome staat sterk, hoewel sommigen zijn gevallen uit vrees voor de terreur - zowel prominente personen als mensen die bang waren voor andere mensen.

Wie zijn gevallen (Latijn: lapsi) zijn ‘gescheiden van ons’ maar we proberen ze te overtuigen om penitentie te doen, ‘in de hoop dat ze op de een of andere manier in staat zijn vergeving te winnen van Hme die dat kan geven.’ Als we ze aan hun lot zouden overlaten, vrezen we, zouden ze nog zondiger kunnen worden. (2.3)

Dus roept de kerk in Rome de leiders van de gemeente in Carthago op om op soortgelijke manier de gevallenen te bemoedigen, hun harten te hervormen zodat als ze een tweede keer gearresteerd worden, ze ‘belijders’ zullen zijn en daarmee hun eerste vergissing goedmaken. (3.1)
  1. Wie ziek zijn van degenen die gevallen zijn maar die nu bezig zijn met penitentie en die verlangen naar communie moet je ‘troost’ brengen. (3.1)
  2. Jullie moeten ook zorgen voor de weduwen en anderen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, en ook voor wie in de gevangenis zitten of wie uit hun huizen verdreven zijn. (3.1)
  3. Wie catechese doen en ziek worden moet je niet hun hoop ontnemen, maar ze troost brengen. (3.1)
  4. Wie de lichamen van martelaren verzamelt om te begraven - een heel gevaarlijks taak - kan verzekerd zijn dat hij een goede dienaar van God is die een groot loon wacht. (3.2)
De broeders in ketenen sturen u groeten, evenals de priesters en de hele kerk. (3.3)

Voor jullie informatie, Bassianus is gearriveerd.

Stuur zoveel mogelijk kopieen van deze brief rond, of schrijf zelf brieven, of stuur een bode, zodat ze moedig standhouden. (3.4)

Opmerkingen:
  • Cyprianus houdt zich verscholen buiten Carthago; in Rome zitten gelovigen in de gevangenis en de situatie daar is penibel. 
  • De brief lijkt nauwelijks onder de oppervlakte heel kritisch over Cyprianus die bij zijn kudde is weggevlucht. In andere brieven doet Cyprianus zijn best te laten zien dat hij het beste met de kerk op het oog had en niks anders; toch was een deel van zijn priesters en diakenen kritisch. 
  • Opvallend is verwijzingen naar de marteldood van Petrus door deze kerk in Rome. 
  • Bisschop Fabianus van Rome was in januari 250 gedood. Pas in maart 251 zou een opvolger worden gekozen. 
  • Let op de pastorale bezorgdheid over de lapsi - de brief ademt een geest van verzoening 
  • Wat betreft de datering, we zien dat de verdrukking in een gevorderd stadium is. Er wordt geofferd, er zijn gevangenen, er is kans op een tweede arrestatie, er zijn doden en het begraven van de doden is een gevaarlijke klus. 
  • GW Clarke dateert de ontvangst van deze brief rond end juni-begin juli 250AD. 
  • Dit is eerste keer dat een subdiaken wordt genoemd - een assistent van een diaken. Werden blijkbaar als postbodes gebruikt. 
  • Onduidelijk is of Crementius een subdiaken uit Rome of uit Carthago is. 
  • Interessant dat Rome voor de bisschop van Carthago de term ‘papa’ (paus) gebruikt. Pas in de 11de eeuw kreeg dit woord in Rome de technische betekenis die het nu nog voor Rome heeft.
  • Wie is Bassianus?  Misschien ontdekken we dat later. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.