zondag 26 oktober 2014

Cyprianus - Brief 16 - Aan de priesters en diakenen

Deze brief is gericht aan de priesters en diakenen in Carthago

Cyprianus heeft lang geduldig gezwegen maar aangezien er mensen - priesters - zijn die de eer van de martelaren ondermijnen, de nederigheid van de belijders, en de vrede van de kerk in het algemeen, moet hij nu schrijven.(1.1)

Sommige priesters doen dingen die voorheen nooit werden gedaan - ze matigen zich gezag aan dat enkel de bisschop toekomt. (1.2)

Door dit te doen brengen ze de behoudenis van de broeders in gevaar. Dat Cyprianus’ waardigheid op het spel staat, deert hem minder. Deze priester maken zichzelf een struikelblok voor de gevallenen en bekommeren zich niet om het zieleheil van die gevallenen, maar slechts om hun eigen populariteit. (2.1)

Dat door de verdrukkingen mensen gevallen zijn is erg genoeg. Cyprianus citeert wat bijbelverzen die hun ernstige situatie duidelijk maken - onder meer dat ze niet aan de heilige communie mogen deelnemen. (2.2)

Zulke mensen zouden penitentie moeten doen om met hun gebeden en goede werken de zaak weer goed te maken. Maar door het gedrag van de priesters worden ze misleid tot hun grotere ellende.

“In het geval van minder ernstige zonden, doen zondaars boete voor de gepaste periode en in overeenstemming met de vastgestelde stadia van de discipline van de kerk doen ze in het openbaar schuldbelijdenis en door de oplegging van handen door de bisschop en de geestelijkheid ontvangen ze het recht om weer aan de communie te worden toegelaten.” (2.3)

Maar wat doen de priesters? prematuur, en terwijl de vrede voor de kerk nog niet is teruggekeerd, terwijl de verdrukking doorgaat, worden de gevallenen tot de communie toegelaten en het offer wordt in hun naam gebracht. - terwijl ze eigenlijk nog boete moeten doen,terwijl ze nog schuld moeten belijden, terwijl de bisschop en de geestelijkheid hun de handen nog moet opleggen. (2.3)

In dit geval treft de priesters de meeste blaam, niet die gevallenen. De priesters hadden de waarheid moeten onderwijzen. (3.1)

Het gevolg van deze actie van de priesters is dat ze de indruk wekken dat de martelaren kwade bedoelingen hebben, en ze brengen die martelaren in conflict met de bisschop van God. (3.2)

Deze martelaren hebben me een brief geschreven waarin ze vragen dat hun verzoeken worden onderzocht en om vrede voor de gevallenen, maar dat alleen nadat onze moeder de kerk eerst vrede heeft, en Cyprianus naar de kerk kan terugkeren zonder gevaar. Helaas, deze priesters verenigen zich in gemeenschap met de gevallenen, ze brengen het offer en ze geven hen de eucharistie. (3.2)

En zelfs al zouden de martelaren in hun wensen tegen de wet van God ingaan, dan nog is het de taak van de priesters en diaken om ze wijs te adviseren, zoals in het verleden altijd gebeurde. (3.2)

Om deze reden gaat God in zijn striktheid door met ons dag en nacht te vermanen. Er is sprake van visioenen in de nacht, en overdag krijgen onschuldige jonge jongens de Heilige Geest en in extase spreken ze de woorden van God tot ons. Als ik terugkom zal ik de details vertellen. (4.1)

Als deze priesters doorgaan met hun arrogante gedrag, zal ik het recht gebruiken dat de Heer me gaf, en hun het recht ontzeggen het offer te brengen, tot die mensen hun zaak voor me kunnen bepleiten, voor de belijders zelf, en voor alle mensen, zodra ik bij u terug ben in de boezem van onze moeder de kerk. (4.2)

Over deze kwestie heb ik de materialen en belijders en ook de gewonen gemeenteleden, brieven gestuurd; ik heb ze opdracht gegeven die ook aan u voor te lezen. (4.2)

Opmerkingen:

  • Deze brief hoort bij de brieven 15 en 17. Waarschijnlijk in mei 250 geschreven. 
  • Cyprianus onderstreept zijn bisschoppelijke macht jegens de priesters, omwille van het image van de martelaars en het heil van de gevallenen. 
  • Opvalt dat Cyprianus de deur wijd open houdt voor gevallenen om in de boezem van de kerk terug te keren. 
  • Hoe zou de eer van de martelaars kunnen worden aangetast? Misschien doordat de indruk kan bestaan dat die martelaars zelf wensen dat de gevallenen direct weer in de gemeenschap worden opgenomen? In elk geval enkele martelaren lijken dat ook gedaan te hebben. 
  • Let op hoe Cyprianus enkele ‘charismatische’ gebeurtenissen waardeert. Is dit een teken van ‘montanisme’? 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

maandag 20 oktober 2014

Cyprianus - Brief 15 - Aan de martelaars en belijders

Deze brief is gericht aan de martelaars en belijders in Carthago

Cyprianus zegt de martelaars dat ze de wetten en discipline van de Heer moeten bewaren, vooral omdat ze door hun standvastigheid een voorbeeld zijn voor velen. (1.1)

Cyprianus was er van uitgegaan dat de priesters en diakenen aan de martelaren, terwijl ze in de gevangenis waren, de goed Schriftuurlijk advies zouden geven, zoals dat bij vorige verdrukkingen onder hun voorgangers gebeurde, maar dat is blijkbaar niet gebeurd. Daarom hebben die martelaars nu contact met hun bisschop gezocht, en daarin worden ze tegengewerkt door sommige priesters. (1.2)

De martelaars hebben aan Cyprianus een brief gestuurd met het verzoek dat aan sommige gevallenen (lapsi) vrede wordt geschonken zodra Cyprianus weer in Carthago met de priesters kan vergaderen als de verdrukking voorbij is. Maar sommige priesters hebben, voordat schuld is beleden en boete is gedaan, en voor de oplegging van handen door de bisschop en de priesters tezamen als teken van verzoening, namens die gevallenen het offer gebracht en hun de eucharistie gegeven. Daarmee hebben ze het heilige lichaam van de Heer ontheiligd. (1.2)

Natuurlijk kunnen die gevallenen vergeving ontvangen. Maar de leiders van de gemeente moeten dat doen op basis van de geboden en instructies. Anders zouden de herders van de kudde wel eens de slagers kunnen worden. Door ze weer te aanvaarden worden ze naar hun ondergang geleid als God ermee wordt mishaagd. (2.1)

Die priesters moeten dus maar door de martelaars worden onderwezen. Ze moeten wachten op de juiste tijd, tot er vrede is. De moeder(kerk) moet eerst vrede hebben van de Heer voor het vrede aan haar zonen kan schenken, zoals jullie hebben gezegd. (2.2)

De martelaars staan onder grote druk maar moeten voorzichtig zijn en de daden van elke individu afzonderlijk onderzoeken voor ze een certificaat krijgen waarin ze om vrede (en vergeving) voor de gevallen persoon vragen aan de bisschop. Beloof niets overhaast, dat maakt ons enkel beschaamd voor de heidenen. Dat is in overeenstemming met hun martelaren dit voorheen deden. (3.1)

Cyprianus zegt dat hij ‘bezoeken van God’ heeft waarin hem te kennen wordt gegeven dat hij de geboden van God bewaart, vrij van corruptie en geweld. De meesten van de martelaars in Carthago doen hetzelfde; ze moeten door gaan om de verzoeken die ze krijgen in gebed te overwegen en ze moeten een eind maken aan het profiteren dat ook aan de gang is. (3.2)

Over deze zelfde kwestie heeft Cyprianus ook aan de geestelijken en de leken in de kerk geschreven. Tenslotte waarschuwt hij de martelaars om geen algemene certificaten te geven. Elke persoon voor wie om vrede wordt gevraagd moet specifiek worden genoemd, en niet zus-en-zo-met-zijn-hele-huishouden. Dat zou aan Cyprianus later alleen maar problemen geven, want wie horen er allemaal bij dat huishouden? ”daarom vraag ik aan jullie dat jullie alleen die bij name in jullie certificaten specificeren die je persoonlijk hebt gezien, die je kent en waarvan je hebt opgemerkt dat hun bekering al bijna tot goedmaking heeft geleid.” (4)

Opmerkingen:
  • Deze brief hoort bij de brieven 16 en 17. Waarschijnlijk in mei 250 geschreven. 
  • De verdrukking is blijkbaar geluwd. Er is een levendige ‘handel’ in certificaten ontstaan om weer toegang tot de kerk te krijgen voor de gevallenen. De kerk moet in enorme opschudding zijn; het gaat om veel mensen die terug willen keren. 
  • Zijn de martelaren nog steeds in de gevangenis? Waarschijnlijk wel. Wat is anders het verschil met de ‘belijders’ die worden genoemd? 
  • Zijn de martelaars mensen die op het punt staan dood te gaan en de afvalligen hopen nog voor hun dood vergeving van de martelaren te krijgen? Elders gaat Cyprianus ervan uit dat als de vrede is teruggekeerd hij deze brieven van de martelaars zal bestuderen, maar niet met die martelaars maar met de belijders. 
  • Er worden ook weer erediensten gehouden - gevallenen ontvangenen immers weer de eucharistie. 
  • Cyprianus lijkt geheel de kant van de martelaren te kiezen tegenover de priesters en diakenen. Hij voelt blijkbaar goed aan wie eer toekomt? 
  • In een latere brief 27 zien we dat deze brief 15 een ramp veroorzaakte; hij werd totaal niet goed ontvangen. 
  • Opvallend is dat Cyprianus tamelijk mild lijkt over de gevallenen; ze kunnen terugkeren maar dat moet wel op de juiste manier gebeuren. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

maandag 22 september 2014

Cyprianus - Brief 14 - Aan de priesters en diakenen

Deze brief is gericht aan de priesters en diakenen in Carthago.

Niet alleen zijn de meeste gemeenteleden overweldigd door de storm van verdrukking, maar zelfs een deel van de geestelijkheid. Cyprianus bidt dat degenen aan wie hij schrijft wel stand houden. (1.1)

Hij wil graag snel naar Carthago komen, omdat hij naar ze verlangt maar ook om samen over de zaken van de leiding van de kerk te kunnen spreken. Toch blijft hij zich verbergen, beter om diverse redenen zoals de vrede en veiligheid van allen. Tertullus zal alles uitleggen; hij heeft er bij Cyprianus op aangedrongen om verborgen te blijven, en zeker om niet verschijnen in de stad waar hij werd gezocht en waar zijn naam werd geschreeuwd. (1.2)

Dus moeten de priesters en diakenen de taken van Cyprianus in de stad waarnemen - hun aanwezigheid in Carthago schept geen aanstoot en veroorzaakt nauwelijks gevaar. Ze moeten vooral voor de armen zorgen, voor hen die in de verdrukking stand hielden. (2.1)

De belijders verdienen extra zorg. Er wordt al goed voor ze gezorgd door de broeders, maar er zijn er misschien nog die kleding of eten nodig hebben. Toen ze nog gevangen zaten schreef ik dat ook al aan jullie. Maar zorg wel dat je die mensen goed onderwijs geeft. Ze moeten nederig, bescheiden en vreedzaam blijven. Op die manier bewaren ze hun eervolle naam. (2.2)

Ze moeten Jezus volgen die in zijn lijden niet trots maar nederig werd. Hij waste de voeten van zijn discipelen. (2.3)

De belijders zullen juist na hun overwinning des te meer door de duivel worden aangevallen, dus vermaan ze nederig te zijn. (3.1)

Er zijn belijders die zich arrogant en slecht gedragen, frivool, ruzie-achtig, ze vervuilen de leden van Christus door met vrouwen samen te wonen, en ze laten zich door diakenen en priesters niet gezeggen. Ze moeten uitkijken want ze kunnen uit de gemeenschap worden verwijderd. (3.2)

Donatus, Fortunatus, Novatus en Gordius, vier priesters, hadden aan Cyprianus een brief geschreven met een vraag. Cyprianus wil die niet beantwoorden ‘omdat ik vanaf het begin van mijn episcopaat vastbesloten ben om niets te doen op basis van mijn persoonlijk oordeel, maar alleen met uw advies en de instemming van de mensen.’ Cyprianus hoopt dus snel te kunnen komen om de kwestie samen te bespreken.(4)

Opmerkingen: 
  • Dit is zeker de brief die tegelijk met brief 13 werd verstuurd. voor midden april 250 geschreven. 
  • Was Tertullus uit Carthago naar Cyprianus gegaan om te zien waarom hij niet terugkeerde? 
  • Cyprianus heeft door dat er kritiek op hem is, vanwege zijn afwezigheid. 
  • Er zijn acute problemen die een oplossing nodig hebben, maar we horen niet welke. In de volgende brief (11) die hij schrijft, blijkt dat sprake is van ernstige verdeeldheid. De kwestie was de toelating van gevallen gelovigen tot de gemeenschap, en de rol van belijders en priesters bij die toelating. In volgende brieven komt dit aan de orde. (15 en verder) 
  • Donatus, Fortunatus, Novatus en Gordius waren wsl. de ringleiders van verzet tegen Cyprianus. Clarke geeft in deel 1, p. 266-268 een goed overzicht van de kwestie. 
  • opvallend: de bisschop besluit, clergy adviseert, het volk wordt om instemming gevraagd. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

donderdag 11 september 2014

Cyprianus - Brief 13 - Cyprianus aan zijn broeders, Rogatianus de priester, en de andere belijders

Cyprianus schreef deze dertiende brief aan de broeders, de priester Rogantianus, en aan de andere belijders.

Het is al weer enige tijd geleden dat Cyprianus aan hen schreef. De hele kerk is blij met het standvastige geloof van deze broeders, maar vooral de bisschop, want “de heerlijkheid van de kerk is de heerlijkheid van haar leider”. Deze vreugde zorgt voor de balans want er is verdriet over hen die zijn gevallen door de gewelddadige storm. (1)

Cyprianus waarschuwt de gelovigen dat ze standvastig moeten blijven tot het eind. (2.1)

Wie belijder is, moet oppassen dat hij zich aan het onderwijs van de Heer blijft houden, anders zal Gods genade hun alsnog verlaten. (2.2)

Cyprianus moedigt de lezers aan om nederig, vreedzaam en rustig te blijven. Vooral jullie die belijders zijn en veel respect genieten moeten dat voorbeeld geven. (3.1)

Met veel bijbelverzen laat Cyprianus het belang van een goede levenswandel zien, en hij zegt blij te zijn dat de meesten van hen ook zo leven. (3.2)

Maar Cyprianus heeft gehoord dat sommigen de gemeenschap bezoedelen met hun gedrag. Omwille van hun eigen reputatie moeten geadresseerden de personen vermanen en corrigeren. Cyprianus noemt gevallen van dronkenschap, een moreel losse levensstijl, en iemand die is teruggekeerd naar Carthago na verbannen te zijn als crimineel. (4.1)

Ook zijn er gemeenteleden die opgeblazen zijn en trots. (4.2)

De gelovigen moeten hun Heer navolgen, nederig, vreedzaam en stil. Hoe nederiger iemand is, de meer hij wordt verheven. (4.3)

Ook zijn er tot verdriet van Cyprianus belijders die de tempels van God vervuilen door schandelijk met andere vrouwen het bed te delen. Misschien zijn ze voor hun geweten niet bezoedeld, maar het is ook al een zware zonde om een schandaal te veroorzaken en een slecht voorbeeld te zijn waardoor misschien anderen ten val komen. (5.1)

Belijders moeten ook uitkijken dat ze niet ruziën of jaloers zijn; wie woorden van vrede en goedheid spreekt is een dagelijkse belijder van Christus. (5.2)

Toen we werden gedoopt hebben we de wereld afgezworen, maar dat hebben we nu, na alle testen, pas echt gedaan. (5.3)

We moeten elkaar versterken door elkaar te bemoedigen; en als er weer vrede is en we naar de Kerk terugkeren, gecorrigeerd en hervormd door de verdrukkingen, zullen de mensen ons des te meer bewonderen.(6)

Toen jullie nog gevangen zaten schreef ik aan de priesters en diakenen, en dat heb ik nu weer gedaan. Dat ze jullie alles wat je op gebied van voedsel en kleding nodig hebt, zullen geven. Eerder stuurde ik 250 sestertiën, en nu stuur ik jullie rechtstreeks opnieuw dat bedrag. Victor, de diaken en voorheen een lector die bij me is, stuurt jullie ook 175 sestertiën. Ik ben blij dat onze broeders onderling wedijveren om jullie bij te staan. (7)

Opmerkingen: 
  • De vorige brief waar Cyprianus naar verwijst is natuurlijk brief 6, maar waarschijnlijk voor de martelingen etc. die in de brieven 10-12 worden genoemd. Dus voor medio April 250AD.
  • Toen deze brief werd geschreven waren Rogatianus en de andere belijders uit de gevangenis vrijgelaten.
  • Voor Cyprianus was er maar een kerk en dat was de kerk van de bisschoppen.
  • Iemand die uit ballingschap terugkeerde ging tegen de Romeinse wet in en maakte zich daarmee een crimineel. Cyprianus als aristocraat respecteerde blijkbaar zulke wetgeving.
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.


maandag 8 september 2014

Creationisten zijn veel te modern

Vandaag in het Reformatorisch Dagblad:
De creationistische organisatie Answers in Genesis (AiG) ondervindt de meeste tegenstand van kerken, aldus directeur Ken Ham zaterdag op de UK Creation Megaconferentie in het Engelse Birmingham.
AiG richt zich vooral op kerken. Daarin is volgens Ham het seculiere gedachtegoed verder doorgedrongen dan meestal wordt aangenomen.
De ouderdom van de aarde is volgens Ham hét punt waarop het gangbare wereldbeeld en de Bijbel botsen. „Alle ontstaanstheorieën van christenwetenschappers, behalve die van een zesdaagse schepping, hebben gemeen dat ze op een of andere manier miljoenen jaren in de Bijbel willen stoppen.”
Dat verzet vooral van de kerken komt is toch niet vreemd? Buiten de kerken heeft niemand interesse in dit zogenoemde 'creationisme'.  En ook ik heb geen enkele interesse in dit soort fundamentalisme.  Even vooropgesteld, ik heb ook geen interesse in evolutionisme.

Maar om binnen-kerkelijk verzet tegen AIG gelijk te stellen met secularisme is ook eenzijdig.  Was kerkvader Augustinus seculier? Hij geloofde niet in een schepping in 6x24 uur, in 4004 voor Chr.

Ik geloof van harte het scheppingsverhaal in de bijbel.  God schiep de wereld.  Maar om Genesis 1 en 2 als moderne geschiedschrijving te zien, is onbijbels.  Wie dat doet, is moderner dan hij denkt; hij probeert de bijbel te persen in een 19de eeuwse wetenschapsopvatting.






Cyprianus - Brief 12 - Cyprianus aan priesters en diakenen in Carthago

Cyprianus richt deze twaalfde brief aan zijn priesters en diakenen in Carthago.

Cyprianus beseft dat hij in eerdere brieven ook al aandrong op goede zorg voor wie de Heer beleden en die nu gevangen zitten. Hij zou graag zelf in de stad zijn om de vervolgenden bij te staan maar dat gaat niet door zijn positie. Hij vraagt de priesters en diakenen om in zijn plaats charitatief werk te doen. (1.1)

Speciale zorg moet worden besteed aan de lichamen van hen die in de gevangenis zijn overleden zonder dat ze gemarteld zijn. Deze mensen moeten net als wie ter dood zijn gemarteld, tot de martelaren worden gerekend. Ze waren bereid gemarteld te worden, en dus is hun verdienste even groot als die van wie uiteindelijk werden doodgemarteld.(1.2)

Met wat bijbelverzen moedigt Cyprianus de gelovigen aan tot trouw aan de Heer; de marteldood is glorieus. (1.3)

De prriesters en diakenen moeten de dag waarop de martelaren stierven noteren om hun herinnering te vieren bij de viering van de martelaren. Tertullus, die zorg draagt voor de lichamen van hen die stierven, laat aan Cyprianus hun sterfdag weten. Cyprianys viert met wie bij hem zijn de gaven en offers (Latijn: oblationes et sacrificia) in hun gedachtenis, en hoopt dat spoedig ook in Carthago te doen. (2.1)

Zorg ook goed voor de armen, dat is voor de armen die trouw zijn gebleven aan het geloof. (2.2)

Opmerkingen: 
  • De brief moet ergens in april of mei 250 worden gedateerd maar niet duidelijk is wanneer precies.
  • Duidelijk is dat de aandacht voor martelingen in jaarlijkse herinneringen al normaal was ttv Cyprianus. Romeinen herdachten hun ouders’ geboortedagen. Christenen gedachten de sterfdagen van de martelaren. Dit ging niet om de gewone mis voor overledenen; dit waren jaarlijks festiviteiten.
  • Tertullus hield Cyprianus op de hoogte van de sterfdagen van de martelaren, en vast ook wel van andere dingen die gaande waren in Carthago. Was dit een manier van Cyprianus om te laten weten dat hij wist wat onder de gelovigen gaande was? 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

vrijdag 29 augustus 2014

Brieven van Cyprianus - Brief 11 - Cyprianus aan priesters en diakenen in Carthago in zware verdrukking

Deze elfde brief van Cyprianus is gericht aan de priesters en diakenen in Carthago in zware verdrukking.

Cyprianus spreekt over de noodzaak van voorbede en vasten. (1.1) Er is immers sprake van een verwoestende verdrukking die het grootste deel van de kudde heeft verwoest. Die verdrukking gaat nog door. (1.2)

De verdrukking is de straf van God voor onze zonden, zegt Cyprianus. Hij wijst op een streven naar bezit en winst, trots, tweedracht. Onschuld en geloof zijn daarentegen veronachtzaamd. Iedereen geeft alleen maar om zichzelf. ‘Dus krijgen we het pak slaag dat we verdienen’. (1.2)

Zelfs belijders houden zich niet aan de discipline maar zijn ijdel en onbescheiden. Daarom is de marteling gekomen, martelingen die niet uitmonden in veroordeling en dood, zonder de troost van de dood en de kroon. Slechts enkelen gaf God het voorrecht dat ze onder de martelingen bezweken. (1.3)

Met citaten uit het OT zegt Cyprianus dat het de zonden van de kerk zijn die voor dit oordeel van God zorgen. (2.1)

De enige oplossing is aanhoudend gebed. (2.2)

Cyprianus schrijft deze brief omdat hij een visioen heeft gehad. In dat visioen de woorden “vraag en je zult ontvangen” werden gesproken. De gemeente die daarbij stond kreeg toen opdracht voor bepaalde mensen te bidden, maar hij stemmen waren niet in harmonie en hun wil conflicteerde. De Heer was boos dat zijn gemeente verdeeld was. (3.1)

Het kwaad van de verdrukkingen zou nooit zijn gebeurd als de gemeente eenparig had gebeden. (3.2)

Een ander visioen dat Cyprianus lang voor de huidige problemen had, was dit: Een vader zat naast een jongeman. Die jongeman keek erg bezorgd. Aan de andere kant van de vader stond een andere jongeman met een net waarin hij de omstanders dreigde te vangen. De zittende jongeman was verdrietig omdat zijn voorschriften werden veronachtzaamd; de staande jongeman was blij omdat hij de gelegenheid kreeg van de vader om woest te vernietigen. (4.1) We zien dat dit visioen nu in vervulling gaat. (4.2)

In een derde visioen (?) zag Cyprianus dat de gemeente niet serieus genoeg voorbede doet, en daarom roept hij daar nu toe op. God mint degenen die hij kastijdt; hij doet dat om ze te verbeteren voor hun heil. (5.1)

Onze Heer waakte en bad voor ons, dus moeten wij dat zelf deze te meer doen - bidden tot onze Heer, en via Hem, het goed maken met God de Vader. (5.2)

“Jezus Christus onze Heer en God hebben we als advocaat en voorbidder voor onze zonden, op voorwaarde dat we ons bekeren van onze zonden uit het verleden, dat we belijden en erkennen dat onze huidige overtredingen onze Heer stuiten, en dat we beloven dat we in elk geval in de toekomst in zijn wegen wandelen en zijn geboden vrezen.” (5.3)

Zelfs nu God ons test en kastijdt, beschermt Hij ons. Niets kan ons, die geloven en die vasthouden aan zijn lichaam en zijn bloed, van Hem scheiden. De verdrukking is bedoeld om ons te schiften en om onze zondigheid aan het licht te brengen. (5.3)

In wat schijnbaar een vierde visioen is, zegt de Heer tegen zelfde minste van zijn dienaars, om “niet bang te zijn want er komt vrede, maar er is momenteel een kort uitstel want sommige moeten nog getest worden.” (6.1)

Een vijfde visioen? Cyprianus zegt dat de gelovigen zich ook van teveel eten en drinken moeten onthouden, opdat ze niet worden verleid om minder te bidden. (6.2)

De priesters en diakenen moeten deze brief met de visioenen verspreiden zodat de broeders het kunnen lezen. (7.1)

Een ieder moet niet alleen voor zichzelf maar ook voor de anderen bidden. Als de Heer onze nederigheid en vreedzaamheid en eenheid ziet, als hij ziet hoe de gelovigen zijn gekastijd en aangepast door de huidige verdrukkingen, zal Hij ons beveiligen van de aanvallen van de vijand. Als we zijn gedisciplineerd zal hij ons vergeven. (7.3)

We moeten eensgezind de Heer bidden om uitredding. Dat past mensen die zich bevinden “temidden van de klaagzangen van de gevallenen, en het beven van het overblijfsel dat er nog is, temidden van de menigte van hen die flauwgevallen en verwoest terneerliggen, en de kleine groep die nog standhoudt.” (8)

We moeten bidden dat vrede snel wordt hersteld, dat spoedig hulp komt op de plaatsen waar we ons verborgen houden, en voor het herstel van de Kerk, de zekerheid van onze redding, heldere lucht na regen, licht na duisternis,een zachte rust na een wilde storm. Dat de blasfemie van de verdrukkers wordt verslagen, de bekering van wie gevallen zijn wordt hersteld, en dat het sterke geloof van wie volharden zal worden verheerlijkt. (8)

Opmerkingen: 
  • Deze brief werd waarschijnlijke tegelijk met Brief 10 verzonden. Cyprianus had de gewoonte om tegelijk brieven aan de (vrije) priesters en aan de belijders in de gevangenis te sturen. (5 en 6, 13en 14, 15 en 16) 
  • Datering midden april 250? 
  • De situatie voor de kerk in Carthago is nu verschrikkelijk. En tegelijk zijn sommige standvastige belijders trots - misschien wel omdat ze zich trouw hebben getoond? 
  • De meerderheid van de gemeenschap lijkt gevallen te zijn voor de druk om te offeren. 
  • Grote nadruk op de noodzaak van eengezindheid en gebed 
  • Ik suggereer dat Cyprianus misschien wel naar 5 visioenen verwijst. Het zijn er in elk geval twee. Misschien dat de andere gedeelten die ik als visioenen of ‘woorden van de Heer’ herken, daar onderdeel van zijn. 
  • In een tijd van enorme terreur tegen de kerk is mogelijk dat Cyprianus ‘ze ziet vliegen’ - maar het kan ook dat in die situatie de Heer extra nabij is. Hoe de lezer dit ziet is afhankelijk van het geloof van de lezer. 
  • De houding van Cyprianus om de zware verdrukking een straf van God voor de zonden van de kerk te noemen, lijkt me bijzonder onpastoraal. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.