donderdag 20 november 2014

Cyprianus - Brief 23 - Alle belijders in Carthago aan paus Cyprianus

Deze brief is geschreven door de belijders in Carthago aan bisschop Cyprianus

Dit is een letterlijke vertaling van dit uiterst korte en felle briefje:

Dit is om u te informeren dat wij allen samen vrede hebben geschonken aan hen wier gedrag sinds hun fout naar tevredenheid is, zoals je na onderzoek zult zien. Het is onze wens dat je deze resolutie (Latijn: formam) ook aan de andere bisschoppen bekend maakt, en het is ons verlangen dat je vrede zult hebben met de heilige martelaren. Geschreven door Lucianus, in de aanwezigheid van een exorcist en een lector van de geestelijkheid.

Opmerkingen:
  • Cyprianus zegt in brief 27, dat dit briefje (23) is geschreven als reactie op brief 15. In brief 15 wilde Cyprianus regelingen treffen met de martelaren en belijders, maar zijn pogingen werkten averechts. 
  • Het moet even geduurd hebben voor Cyprianus deze brief in handen kreeg. Er volgde nog wat correspondentie voor hij er op reageerde. 
  • Dit briefje laat zien hoe de martelaren en de belijders een tamelijk hoge status aan zichzelf toekenden; ze gaven zelfs aan een bisschop commandos. Ze proberen zelfs niet vriendelijk of tactisch te zijn. Je kan in elk geval zeggen dat ze zich om de gevallenen bekommerden. 
  • Het was onbeleefd dat de belijders zichzelf eerst noemden in dit briefje. Uit beleefdheid hadden ze eerst de geadresseerde moeten noemen. 
  • Het gebruik van het woord resolutie (formam) is opvallend. Het waren doorgaans de bischoppen die met dat woord hun besluiten in concilies introduceerden. 
  • Lucianus schrijft met twee getuigen. Dat pleit niet voor de kracht van het besluit. Het ging ook nog om ‘lagere’ geestelijkheid.
  • Cyprianus wordt in de aanhef 'papati' genoemd, papa, paus. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

Cyprianus - Brief 22 - Lucianus in Carthago aan Celerinus in Rome


Deze brief is geschreven door Lucianus, belijder in Carthago aan Celerinus, een belijder uit Rome, als reactie op de brief die Celerinus hem stuurde (brief 21)

Lucianus schrijft dat hij maar een bescheiden belijder is; hij getuigde van de naam van God in vrees, en slechts voor lage ambtenaren. Clericus echter heeft met grote kracht getuigt zodat de slang vluchtte voor zijn ‘woorden en geïnspireerde uitingen.” (1.1)

Jij, Celerinus, hoort als het ware al bij de martelaren. Je vertelde me over de situatie van je zussen en dat heeft ons verontrust. (1.2)

Toen de martelaar Paulus nog leefde zei hij tegen Lucianus, dat als iemand hem om vrede vroeg (voor een gevallene), Lucianus dat in naam van Paulus moest geven. En, volgens Lucianus hebben alle martelaars overeenstemming bereikt en een gezamenlijke brief geschreven om iedereen samen vrede te schenken. (2.1)

Dus, zegt Lucianus, hij heeft al ten gunste van het verzoek van Celerinus besloten vanwege de wens van Paulus. Dat besluit namen ze al toen ze naar de eis van de keizer van honger en dorst moesten sterven. Ze werden in twee cellen opgesloten. Het was daar overvol en heet, maar honger en dorst deden niet hun werk, en de mannen kregen het daglicht weer te zien. (2.1)

Dus schenkt Lucianus vrede aan Numeria en Candida in overeenstemming met de wens van Paulus en de andere martelaren:
  • Bassus stierf in de mijnen, 
  • Mappalicus stierf terwijl hij werd ondervraagd,
  • Fortunio in de gevangenis
  • Paulus na ondervraging
  • Fortunata, Victorinus, Victor, Herennius, Credula, Hereda, Donatus, Firmus, Venustus, Fructus, Iulia, Martialis, Ariston verhongerden in de gevangenis. (2.2)
Lucianus denkt dat hij ook spoedig zal sterven - sinds 8 dagen is hij weer opgesloten. De vijf dagen daarvoor kregen ze slechts weinig brood en water. (2.2)

Lucianus wil dus dat zodra de kerk weer vrede heeft, ze (de zussen) vrede ontvangen in overstemming met de wens van Paulus en nadat hun zaak aan de bisschop is voorgelegd en ze hun schuld hebben beleden. En dit niet alleen voor de zusters van Clericus maar voor alle zusters. (2.2)

Lucianus, samen met zijn collegas, doet de groeten aan Celerinus en ook aan de belijders die bij Clericus in Rome zijn. Onder hen zijn Saturninus (uit Carthago) en zijn metgezellen, en Maris, Collecta en Emerita, Calpurnius en Maria, Sabina, Spesina en de zussen Januaria, Dativa en Donata.

Ook groeten aan Saturus en zijn gezin, en aan Bassianus en alle geestelijkheid, aan Uranius, Alexius, Quintianus, Colonica,

en groeten aan allen die ik nu niet noem. Ik ben zo moe, dus hopelijk vergeven ze me.

Het ga je goed, en ook Alexius, Getulicus en de Argentarius broeders en hun zussen.
Groeten van mijn zusters Januaria en Sophia. (3.1)

Opmerkingen:
  • Medio 250 geschreven. Brief 37 en 39 geven meer informatie over Celerinus; brief 21 over Lucianus. 
  • Opvallend is hoe we een kijkje krijgen in de manier van vervolging en de gevangenis. 
  • Roerend is hoe Lucianus vanuit het gevang schrijf dat hij moe is. 
  • Het is duidelijk dat martelaren enorme geestelijke macht hadden - vergeving van zonden. 
  • Een belangrijke straf voor de christenen was de hongerdood in de gevangenis. 
  • Lucianus belooft vrede aan de afvalligen die terugkeren, maar wijkt niet af van de door Cyprianus gegeven volgorde: eerst vrede voor de kerk, dan terugkeer van de bisschop, schuldbelijdenis, en vergeving. 
  • We krijgen hier enig inzicht in de omvang van de verdrukking - tot nu toe waren er 17 doden op een kerk waarvan naar Cyprianus elders zei, duizenden afvallig waren geworden. 
  • Lucianus laat met zijn groeten zien dat de leiding van de kerken in Carthago en Rome elkaar kende. Er was blijkbaar contact. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

zondag 16 november 2014

Mythe: Arabieren stammen van Ismaël af

Is de zoon van Abraham en Hagar, Ismaël dus, de vader van de moderne Arabieren? Tegenwoordig verstaan we onder Arabieren de mensen die in de lidstaten van de Arabische wereld wonen. Hun Arabisch-zijn is vooral gedefinieerd door hun paspoort, niet door de taal die ze spreken en ook niet door hun genetische afkomst. Een Arabischtalige Marokkaan, een Irakees die Arabisch spreekt, een Jemeniet, een Egyptische christen die Arabisch als moedertaal heeft, op geen enkele manier kan worden hardgemaakt dat deze mensen van Ismaël zouden afstammen; er stroomt geen druppel bloed van Ismaël door hun aderen.

De Arabieren van vandaag zijn de nakomelingen van stammen en volken die door de eeuwen heen geleidelijk de Arabische taal hebben geadopteerd als hun spreektaal en schrijftaal. Dat is absoluut niet een genetische kwestie, net zo min als we kunnen zeggen dat Surinamers of burgers van de Nederlandse Antillen van de Batavieren afstammen, domweg omdat ze Nederlands spreken of een Nederlands paspoort hebben.

Maar misschien kunnen we zeggen dat de Arabieren in de zin zoals die term heel vroeger werd gebruikt wel de afstammelingen van Ismaël zijn? Ten tijde van de profeet Mohammed, dus in de zesde en zevende eeuw na Christus, waren de Arabieren de stammen die in en om het Arabisch schiereiland woonden en die één van de Arabische dialecten spraken. Maar hoe zouden die van Ismaël kunnen afstammen?

In de tijd van Abraham en Ismaël was het Arabisch schiereiland al lang bevolkt door Arabischtalige stammen. Ismaël kan op hun ontstaan dus geen procreatieve invloed hebben gehad, want zo zit de wereld van het kindjes krijgen niet in elkaar. Er is dus geen historisch of archeologisch bewijs dat Ismaël en zijn nakomelingen de voorvaders waren van de oorspronkelijke Arabieren; ze hebben hooguit op kleine schaal hun genetische sporen aan de bewoners van het Arabisch Schiereiland toegediend. Dat heeft dus, zoals gezegd, niks te maken met de Arabieren van Marokko tot Irak van vandaag de dag.

Wie zijn dan wel de afstammelingen van Ismael? In Genesis 25:12 worden twaalf zonen van Ismaël genoemd. Die trouwden met meisjes uit stammen in het gebied dat nu ruwweg Jordanië is. De stammen die daaruit voortkwamen werden Ismaëlieten genoemd. Assyrische bronnen noemen de Ismaëlieten nog als aparte stam. De bijbel laat zien dat de Ismaëlieten opgingen in de stammen die later de Midianieten werden genoemd, bijvoorbeeld in Genesis 37:25-28 en 39:1 en in Richteren 7:1vv en 8:22-24.

Eeuwen later, zo rond 250 voor Christus, trokken Arabische stammen uit het gebied van Jemen geleidelijk naar het gebied van wat nu Jordanië en Syrië is, om die regio te koloniseren. Daarom kon Paulus, na zijn bekering, zeggen dat hij een paar jaar naar Arabia ging. Hij ging waarschijnlijk naar het gebied ten zuidoosten van Damascus, of naar Jordanië. In de Romeinse tijd waren deze Arabieren, de Nabataers, bondgenoten van de Romeinen. Die Arabieren herinnerden zich hun afkomst uit Jemen en stamden, naar hun eigen zeggen, af van ene Joktan of Kahtan, niet van Ismaël.

De mythe van de Arabische afkomst van Ismaël is vooral door de profeet Mohammed gecreëerd, omdat hij de Arabieren graag als afstammelingen van Abraham wilde zien. ‘De Joden stammen via Izak af van Abraham, dan wij via Ismaël ook’, moet Mohammed profetisch hebben gedacht. Op deze manier kon hij aantonen dat zijn religie net zo goed als de joodse, op Abraham terugging. Mohammed meende dat hij de oorspronkelijke religie van Abraham in eer herstelde. Sommige islamkenners vermoeden dat Mohammed ook van mening was dat het christendom op Abraham terugging. Geloven christenen, zo zou Mohammed hebben gedacht, immers niet in ‘Isa (Ezau), een derde zoon van Abraham? Hij zou dus Ezau en Jezus hebben verward.

Sommige christenen houden de mythe van Ismaël als voorvader van de Arabieren ook in ere en zetten dat vooral in eschatologisch perspectief. Zo zou God in het einde der tijden Israël hebben hersteld, met als duivelse tegenspeler de 300 miljoen Ismaëlieten die rond Israël wonen en die het land de zee in zouden willen drijven. Zo lijkt het net of de Bijbelse geschiedenis van Izak en Ismaël herleeft. Maar of dat waar is?

donderdag 6 november 2014

Cyprianus - Brief 21 - Celerinus van Rome aan Lucianus in Carthago

Deze brief is geschreven door Celerinus, een belijder uit Rome, aan Lucianus, belijder in Carthago

Celerinus schrijft dat hij blij is dat Lucianus is opgepakt en dat hij aan de christelijke belijdenis heeft vastgehouden. Hij is bedroefd dat hij geen bericht van Lucianus heeft gehad sinds hij (in Rome?) afscheid van hem nam. En dat terwijl Lucianus wist dat Montanus uit de gevangenis in Carthago naar Rome zou reizen. (1.1)

Misschien was Lucianus te druk met gericht zijn op de eeuwige kroon? Hoe dan ook, Celerinus zelf schreef wel brieven toen hij nog een belijder was.(1.2)

Celerinus hoopt dat Lucianus spoedig ‘gebaad wordt in dat meest heilige bloed’ van het martelaarschap, maar zo niet, kan hij dan svp terugschrijven? (1.3)

De reden waarom Celerinus schrijft is dat hij zwaar gebukt gaat onder de afvalligheid van zijn zus die het offer heeft gebracht. Celerinus heeft veel voor haar gebeden, gerouwd, en gehuild. Maar vraagt nu van Lucianus dat hij bij God bemiddeld, of dat hij aan de martelaars die al bij de Heer zijn, om die bemiddeling vraagt voor zijn zus. (2.1)

Lucianus kende de zussen van Celerinus goed - Numeria en Candida. Die hadden boete gedaan en goede werken onder onze collega's die vanuit Carthago waren gekomen - die kunnen jullie zelf over hun goede werken vertellen. Daarom geloof ik dat Christus ze nu zal vergeven als jullie, zijn martelaren, voor hun bidden. (2.2)

Lucianus is daartoe heel bekwaam want hij is zelfs als een priester voor de belijders in de gevangenis. God zal hem dus de wensen van zijn hart geven. (3.1)

Dus vraagt Celerinus of Lucianus met zijn belijders wil bidden voor zijn zussen; en dat de eerste die de kroon zal ontvangen, deze zussen Numeria en Candida zal vergeven. In feite, alleen Candida heeft het offer gebracht - Numeria (ook bekend als Etecusa) heeft alleen betaald voor een vals getuigenis dat ze heeft geofferd. (3.2)

De kerkleiders in Rome kennen zaak en hebben de zussen geboden dat ze wachten tot een bisschop is aangesteld. Maar intussen smeekt Celerinus Lucianus dat hij ze volledig vergeeft. (3.2)

Ook Statius en Severianus, belijders die uit Carthago naar Rome zijn gegaan, steunen het verzoek aan Lucianus om voorbede en vergeving voor de zussen. Die zussen hebben vanaf hun aankomst in Rome voor Statius en Severianus, ja voor alle 65 gezorgd. (4.1)

Macarius en zijn zussen Cornelia en Emerita sturen hun groeten. En ook Saturninus - ook een belijder uit Carthago - ook hij vraagt aan Lucianus hetzelfde. Ook Calpurnius en Maria groeten Lucianus..

Celerinus heeft deze brief ook geschreven voor de overigens broeders (in de gevangenis) en vraagt Lucianus de brief aan hen voor te lezen.

Opmerkingen:
  • Medio 250 geschreven. Brief 37 en 39 geven meer informatie over Celerinus; brief 22 over Lucianus. 
  • We weten niet hoe Cyprianus deze brief in handen heeft gekregen. 
  • Het is duidelijk dat martelaren enorme geestelijke macht hadden - vergeving van zonden. 
  • In Rome moesten christenen al voor pasen 250 offers brengen 
  • In Rome was een forse hechte gemeenschap van vluchtelingen uit Carthago 
  • De brief laat zien dat christenen die waren opgepakt en gevangen gezet, soms? vaak? ook weer werden vrijgelaten - ook als ze hun geloof vasthielden. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

woensdag 5 november 2014

Cyprianus - Brief 20 - Aan de priesters en diakenen in Rome

Deze brief is gericht aan de priesters en diakenen in Rome

Cyprianus heeft ontdekt dat de geestelijkheid in Rome rapporten ontvangt over zijn handelen niet geheel openhartig en accuraat zijn. Daarom schrijft hij nu deze brief - over zijn optreden, zijn zorg voor de kerk, en zijn ijver. (1.1)

Toen het volk in Carthago met geweld en bij herhaling om (de dood van) Cyprianus riep, trok hij zich naar de aanwijzingen van de Heer, terug voor een tijdje. Niet zozeer om zijn eigen veiligheid maar om de algemene vrede van de kerk. Hij was bang dat als hij in Carthago werd gezien, hij daarmee de wanorde zou doen toenemen. Maar hoewel hij lichamelijk afwezig is, is hij in de geest, in daden of in advies dat hij gaf, niet afwezen geweest. Hij bleef voor de belangen van zijn broeders ijveren. (1.2)

De leiders in Rome kunnen zelf beoordelen hoe Cyprianus handelde uit zijn brieven die hij al eerder stuurde, maar voor de zekerheid voegt hij kopieën van 13 brieven toe. (2.1)

Toen martelingen begonnen, reikten Cyprianus’ woorden tot in de gevangenissen om de broeders daar te bekrachtigen en te troosten. Hij ontdekte dat degenen die met woord en daad afvallig waren geworden of wie zijn geweten had besmet met het kopen van certificaten, overal probeerden brieven te krijgen van de martelaars en dat ze de belijders vleiden met hun verzoeken. Gevolg was dat dagelijks duizenden certificaten werden gegeven, tegen de wetten van het Evangelie, zonder onderscheid of onderzoek. Vandaar dat Cyprianus een brief aan de martelaars en belijders schreef waarin hij ze opriep de voorschriften van de Heer te volgen. (2.2)

De priesters en diakenen schreef Cyprianus met gebruik van zijn volle bisschoppelijk gezag omdat sommigen onder hen gehaast weer gemeenschap met de gevallenen zochten. Cyprianus schreef ook de leken in Carthago dat ze de discipline van de Kerk moesten handhaven.(2.3)

Vervolgens gingen bepaalde gevallenen wilde eisen te stellen dat ze weer volledig in de vrede zouden worden hersteld zoals beloofd door de martelaars en belijders; daarbij gebruikten ze zelfs geweld. Cyprianus schreef hierover twee brieven aan de geestelijkheid en hij gaf opdracht dat zijn brieven moeten worden voorgelezen.

Om degenen die zo’n briefje van de martelaars hadden en die op het punt stonden dood te gaan, gaf Cyprianus opdracht dat ze hun schuld konden belijden en onder handoplegging vergiffenis ontvangen, zodat ze naar hun Heer kunnen gaan met vrede. Cyprianus deed dit “om op zekere manier voor het moment hun geweld in te dammen” en hij verzekerd de Romeinse geestelijkheid dat hij hiermee “niet een wet schiep noch zichzelf zomaar als een gezaghebber opwierp.” (3.1)

Cyprianus was echter van mening dat aan de martelaars respect moest getoond terwijl wie gewelddadig naar vrede zochten tot bedaren moesten worden gebracht om totale chaos te voorkomen. Bovendien heeft Cyprianus de brief gelezen die de Romeinse geestelijkheid via de subdiaken Crementius ‘aan onze geestelijkheid’ heeft gestuurd. In die brief adviseerden die Romeinse priesters en diakenen dat wie gevallen was en op het punt stond dood te gaan, troost moesten worden geboden als ze boete deden en als ze graag tot de gemeenschap wilden worden toegelaten.

Dus besloot Cyprianus om die mening te steunen om te voorkomen dat hun acties, die verenigd en harmonie moeten zijn op elk terrein, in enig aspect zouden verschillen. (3.2)

Wat betreft de gevallenen die niet ziek zijn heeft Cyprianus opdracht gegeven dat ze geduld moeten hebben tot hij zelf weer in Carthago kan zijn. Als de kerk weer vrede heeft “kunnen wij kerkleiders bijeenkomen in een grote vergadering, en na met u van gedachten te hebben gewisseld, kunnen we alle zaken die spelen, oplossen. (3.3)

Opmerkingen:
  • Deze brief volgt zeker op brief 19; is dus waarschijnlijk zomer 250 geschreven, juli?? 
  • Aan deze brief gingen wsl. de brieven 8 en 9 vooraf. 
  • Dat Cyprianus aan de priesters en diakenen van Rome schrijft is omdat daar geen bisschop is. 
  • Cyprianus was duidelijk niet blij dat die Romeinse priesters en diakenen rechtstreeks contact zochten met de priesters en diakenen in Carthago, en dat ze zelfs adviezen gaven; maar Cyprianus maakt er het beste van door achter hun adviezen te gaan staan. 
  • Cyprianus krijgt uit Rome het verwijt dat hij nieuwe wetten uitvaardigde en dat hij autoriteit optreedt; blijkbaar was het advies van de Romeinse geestelijken aan die in Carthago niet hetzelfde waartoe Cyprianus besloot. Wilden die Romeinse geestelijken slechts dat de afvalligen ‘getroost zouden worden, en besloot Cyprianus om barmhartiger te zijn? 
  • Zie hoezeer Cyprianus hecht aan de eenheid van de kerk en de eenheid van handelen van de kerkelijke leiders. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

zaterdag 1 november 2014

Cyprianus - Brief 19 - Aan de priesters en diakenen


Deze brief is gericht aan de priesters en diakenen in Carthago

Cyprianus bedankt ze voor hun brief. Ze hebben geschreven dat ze niet overhaast te werk gaan (met betrekking tot het opnieuw toelaten van gevallenen tot de kerk). Wie boete doet zal nederig, geduldig en gehoorzaam aan de bisschoppen zijn. (1)

In hun brief zeiden de priesters dat er bepaalde mensen zijn die niet willen wachten en onmiddellijk in de kerk willen terugkeren. De priesters vragen om advies, maar Cyprianus zegt dat hij duidelijk genoeg is geweest. Gevallenen die een brief van een martelaar hebben en die dodelijk ziek zijn, mogen hun schuldbelijdenis doen en de priesters en diakenen mogen hun de handen opleggen ter vergeving. Op die manier kunnen ze naar de Heer gaan met de vrede die de martelaars ze hebben beloofd. (2.1)

Wie als gevallene niet zo’n brief van een martelaar heeft moet geduld hebben to de kerk weer vrede heeft; Dit is van belang omdat de kwestie niet alleen een lokale is, maar een die de hele wereldkerk aangaat. (2.1)

De correcte manier van handelen is dat de bisschoppen (“wij leiders”) samenkomen met de geestelijkheid in de tegenwoordigheid van de leken die standvastig zijn. In zo’n heilige vergadering kunnen ze alle zaken beslissen. (2.2)

Laten die gevallenen maar wachten, want ook de belijders die uit hun land zijn verjaagd en die al hun bezit kwijt zijn, zijn nog niet eens naar hun kerk teruggekeerd. En sommige gevallenen willen zelfs voor die belijders terugkeren in de kerk? Als ze zo’n haast hebben kunnen ze krijgen wat ze willen - de strijd gaat nog door; als ze spijt hebben van hun afvalligheid en een sterk geloof hebben, kunnen ze hun kroon reeds ontvangen! (2.3)

Opmerkingen:
  • Deze brief volgt zeker op brief 18; is dus waarschijnlijk zomer 250 geschreven, juni of juli?? 
  • De vervolging in Carthago gaat nog door, hoewel er een mate van normalisatie moet zijn - anders zouden de gevallenen nog niet naar de kerk kunnen of willen terugkeren. 
  • Dat de belijders die zijn gevlucht eerst naar de kerk moeten terugkeren, voor gevallenen weer worden toegelaten, lijkt een kwestie van eer voor die belijders. 
  • Cyprianus heeft geen geduld met de gevallenen die nu al in de kerk terugwillen. Als ze zo nodig vergeving wensen, dan zoeken ze de marteldood maar, lijkt de bedoeling van 2.3. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.

Cyprianus - Brief 18 - Aan de priesters en diakenen

Deze brief is gericht aan de priesters en diakenen in Carthago

Cyprianus klaagt dat hij geen reactie krijgt op de brieven die hij aan de priesters en diakenen heeft gestuurd. Hij wil reactie, omdat hij anders niet goed leiding kan geven aan de gemeenschap. (1.1)

De zomer is begonnen - een tijd van plagen en ziekten - dus Cyprianus wil hulp sturen aan de gemeente.

Wie brieven van martelaars hebben ontvangen - die dus hulp kunnen krijgen via hun bevoorrechte positie bij God - als deze mensen dodelijk ziek worden, hoeven ze niet op de komst van Cyprianus te wachten. Ze kunnen hun zonden belijden voor een priester of desnoods als er geen priester is, voor een diaken. Die legt hun dan de handen op voor vergiffenis, zodat ze in vrede naar de Heer kunnen gaan. (1.2)

De overige gevallenen - mensen die niet zo’n brief van een martelaars kregen - moeten getroost worden door jullie aanwezigheid opdat ze niet hun geloof in de genade van God opgeven. Als ze nederig en oprecht boete doen en goed leven, zullen ook zij erop mogen rekenen dat God voor een oplossing zal zorgen. (2.1)

Over de catechumens, als die ernstig zoek worden: onthoud ze de genade van God niet als ze daarom vragen. (2.2)

Opmerkingen: 
  • Begin zomer 250 geschreven, juni? 
  • Cyprianus doet een compromis: als afvalligen met een brief van een martelaar bijna doodgaan, mogen priesters en diakenen de biecht afnemen en vergiffenis schenken door handoplegging. 
  • Dit lijkt de eerste keer te zijn dat we zien dat een bisschop unilateraal een oplossing voor een groot probleem levert zonder ruggespraak met collega’s. Hij verwijst ook niet naar precedenten. 
  • Er lijkt veel pressie van gevallenen met brieven van martelaars om weer in de kerk opgenomen te worden. (meer hierover in Brief 20.3) 
  • in 2.2 bedoelt Cyprianus zonder twijfel dat zulke catechumens gedoopt moeten worden op hun sterfbed. 
Voor deze bespreking heb ik gebruik gemaakt van The Letters of St Cyprian Volume 1 (Letters 1-27) door G.W. Clarke (Newman Press, New York, 1984). Dit is deel 43 van de serie Ancient Christian Writers.